ECLI:NL:GHARL:2020:1808

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.238.544/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 62 RVV 1990Art. 68, eerste lid, RVV 1990Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake niet stoppen voor rood licht

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een boete wegens het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 2 augustus 2017. Hij verzocht herhaaldelijk om toezending van foto's en 'lopende beelden' van de overtreding, die niet werden verstrekt door de officier van justitie. De kantonrechter wees het beroep ongegrond.

Het hof oordeelt dat de officier van justitie de informatieplicht ex artikel 7:18 Awb Pro heeft geschonden door de foto's niet toe te sturen. Daarom vernietigt het hof de beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie op dat punt. Vervolgens beoordeelt het hof het beroep inhoudelijk en constateert dat de betrokkene niet is gestopt voor het rode licht, zoals blijkt uit de foto's en gegevens.

De betrokkene voerde aan dat zijn zicht werd belemmerd door een vrachtwagen en dat de verkeersveiligheid onvoldoende was, maar het hof acht deze omstandigheden onvoldoende om de sanctie te matigen. De overtreding is geautomatiseerd en met foto’s vastgelegd. Het hof verklaart het beroep tegen de boete ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens doorrijden bij rood licht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.544/01
CJIB-nummer
: 209903450
Uitspraak d.d.
: 28 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 6 maart 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Op 20 juni 2018 is een schrijven van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De advocaat-generaal heeft wel nadere toegestuurd.
De griffier van het hof heeft deze informatie aan de betrokkene doorgestuurd en hem de gelegenheid gegeven hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 15 januari 2020 is nog een schrijven van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. De betrokkene klaagt er in hoger beroep onder meer over dat hij regelmatig om een foto van de gedraging of ‘lopende beelden’ heeft verzocht, maar dat aan zijn verzoek niet is voldaan.
2. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vgl. ABRvS 19 november 2014, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:7246).
3. De betrokkene heeft bij brief van 27 oktober 2017 administratief beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. In deze brief stelt de betrokkene dat ‘lopende beelden’ zijn verweer onomstotelijk en overtuigend zullen hardmaken. Gevraagd wordt deze beelden te overleggen. Bij beslissing van 31 oktober 2017 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.
4. Het verzoek om de beelden te overleggen moet worden aangemerkt als een verzoek van de betrokkene om toezending van de foto's van de gedraging. Van de gedraging zijn foto's gemaakt, zodat sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18, vierde lid, Awb. Door de foto's niet toe te sturen aan de betrokkene maar op het beroepschrift te beslissen, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met zijn informatieplicht. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en -doende wat de kantonrechter had behoren te doen- met gegrond verklaring van het beroep daartegen de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren tegen die beslissingen behoeven in verband hiermee geen bespreking.
5. Het hof zal de bezwaren tegen de inleidende beschikking beoordelen. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 2 augustus 2017 om 15.59 uur op de Nieuwe Postweg N286 te Tholen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. Het verweer van de betrokkene komt er op neer dat de doorstroming op de betreffende kruising werd bemoeilijkt door een langzaam optrekkende vrachtwagen en dat het zicht op het verkeerslicht door de hoogte van die vrachtwagen werd belemmerd. Daarbij stelt de betrokkene dat de gedraging mede te wijten is aan een inadequate verkeersveiligheidsstructuur, omdat bij de verkeerslichten op het wegdek niets wordt aangeduid. Naar de mening van de betrokkene wordt het tijd dat het wegdek wordt voorzien van lichtsignalen die gekoppeld zijn aan het betreffende verkeerslicht. Hierdoor wordt het probleem van zichtbelemmering met hoge vrachtwagens eveneens vermeden dan wel verminderd.
7. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in Pro verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
8. Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:
"Bij driekleurige verkeerslichten betekent:
a. groen licht: doorgaan;
b. geel licht: stop: voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
c. rood licht: stop."
9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stropstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het licht reeds 1,3 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. De tijdsduur van de geellichtfase is op de foto vermeld. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
10. In het dossier bevinden zich afdrukken van de foto’s waarmee de gedraging is vastgelegd. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep gedeeltelijk is gepasseerd, maar nog met de achterwielen voor de stopstreep staat. Op dat moment straalt het bovenste licht van het verkeerslicht rood uit. De voor de betrokkene rijdende vrachtwagen is dan het verkeerslicht al in zijn geheel gepasseerd en het trekkend voertuig bevindt zich aan de overkant van het kruispunt. Op de tweede foto, die 0,8 seconden later is genomen, is te zien dat het voertuig van de betrokkene verder de kruising op is gereden maar nog niet het verkeerslicht is gepasseerd. De vrachtwagen is het kruispunt dan in zijn geheel gepasseerd. Uit de databalk onder de foto's blijkt dat de geeltijd 4,0 seconden bedroeg en dat er met een snelheid van 36 km/h werd gereden.
11. Gelet op deze gegevens staat voldoende vast dat het voertuig van de betrokkene niet is gestopt voor het rood uitstralende verkeerslicht.
12. Gezien het verweer van de betrokkene dient het hof te beoordelen of sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden. Het hof stelt voorop dat van de betrokkene mag worden verlangd dat als zijn zicht wordt belemmerd door een vrachtwagen, hij afstand neemt van die vrachtwagen. Dat het zicht van de betrokkene werd belemmerd door een langzaam rijdende vrachtwagen is voorts niet aannemelijk geworden. Uit de foto's volgt dat de vrachtwagen zich reeds voorbij de verkeerslichten bevond op het moment dat de betrokkene de stopstreep passeerde. Bovendien duidt de snelheid waarmee de betrokkene reed (36 km/h) er niet op dat de doorstroming werd bemoeilijkt door de vrachtwagen. Dat de betrokkene de verkeerslichten niet goed heeft waargenomen in verband met de hoogte van de vrachtwagen, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te komen. Dat volgens de betrokkene sprake is van een inadequate verkeersveiligheidssituatie die verbetering behoeft, brengt niet mee dat hem van de gedraging geen verwijt kan worden gemaakt.
13. Gelet op het vorenstaande verklaart het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt -met gegrond verklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.