Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst(hierna: de Inspecteur).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een woningcorporatie, kreeg voor 2015 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd waarbij een vermindering van de verhuurderheffing van €500.000 in mindering was gebracht op de te betalen verhuurderheffing. Belanghebbende stelde dat deze vermindering als investeringssubsidie op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van de sociale huurwoningen moest worden verwerkt, waardoor de vermindering pas in latere jaren via afschrijving in de winst zou worden betrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en belanghebbende ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de heffingsvermindering formeel en materieel een vermindering van de verhuurderheffing is, zoals geformaliseerd in artikel 1.10 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. De vermindering is onlosmakelijk verbonden met de verhuurderheffing en niet als een aparte investeringssubsidie te beschouwen.
Daarom is het realiteitsbeginsel geschonden indien de vermindering niet direct in het jaar van toekenning op de winst wordt betrokken. Het hof bevestigde dat het saldobedrag aan verhuurderheffing na vermindering in 2015 ten laste van de winst komt, en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Het hof zag geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 maart 2020.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de heffingsvermindering op de verhuurderheffing in 2015 direct ten laste van de winst komt en verklaart het hoger beroep ongegrond.