Belanghebbende, een autobedrijf gevestigd aan een adres in Zutphen, was het niet eens met de opgelegde reclamebelasting voor 2018, welke beperkt werd tot drie bedrijventerreinen binnen de gemeente. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond voor de beperking van het heffingsgebied en dat de kosten niet voldoende waren onderbouwd.
Het Hof overwoog dat de reclamebelasting een algemene belasting is, maar dat beperking van het heffingsgebied is toegestaan mits objectief en redelijk gerechtvaardigd. Uit het overgelegde activiteitenplan en begroting bleek dat de opbrengst van de belasting hoofdzakelijk werd besteed aan beveiliging en parkmanagement van de drie bedrijventerreinen, waarvan belanghebbendes bedrijf deel uitmaakt. De promotie-uitgaven voor Zutphen werden als nuttig voor de bedrijven binnen het heffingsgebied beschouwd.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de beperking van het heffingsgebied objectief en redelijk was en dat belanghebbendes bezwaren onvoldoende waren onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.