AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie bij overschrijding maximumsnelheid
De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 15 km/h. De gemachtigde van de betrokkene stelde beroep in tegen deze beslissing en klaagde over het niet ontvangen van het procesdossier en het niet correct volgen van de hoorprocedure.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte geen afschrift van het dossier had verstrekt en dat de gemachtigde niet voldoende gelegenheid was gegeven om te worden gehoord, ondanks dat een hoorzitting was aangeboden. Hierdoor werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.
Bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de snelheidssanctie stelde het hof vast dat de meting was verricht met een geijkt meetmiddel en dat de ambtenaar bevoegd was om de sanctie op te leggen. De aangevoerde bezwaren werden verworpen en het beroep tegen de sanctie werd ongegrond verklaard.
Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens schending van hoor- en inzagerecht, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond en het beroep tegen de snelheidssanctie ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.500/01
CJIB-nummer
: 207476141
Uitspraak d.d.
: 20 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 10 april 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder andere aan dat de rechtbank hem ten onrechte geen afschrift van de op de zaak betrekking hebben stukken heeft verstrekt. De gemachtigde had uitdrukkelijk om een afschrift van het procesdossier gevraagd. Derhalve is artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv geschonden, aldus de gemachtigde.
2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid (destijds: vierde lid), van de Wahv (vergelijk het arrest van dit hof van 4 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5606).
3. Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
4. Het door de gemachtigde bij zijn beroepschrift van 7 januari 2018 gedane verzoek was prematuur. Voor het prematuur verzoeken om stukken op grond van voornoemd artikel biedt de wet geen ruimte.
5. Bij brief van 2 maart 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 10 april 2018. Hierbij is medegedeeld dat de gemachtigde een afspraak met de griffier kan maken voor het inzien van het dossier. Op 27 maart 2018 heeft de rechtbank een brief van de gemachtigde ontvangen, waarin hij aanvoert nog steeds niet het gevraagde afschrift van het procesdossier te hebben ontvangen en verzoekt hij nogmaals om toezending van het dossier. De rechtbank was dan ook gehouden om een afschrift van de stukken aan de gemachtigde te doen toekomen. Nu dit niet is gebeurd, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal daarom die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
6. De gemachtigde voert tegen deze beslissing aan dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen om te worden gehoord, dat de officier van justitie de dossierstukken niet heeft toegezonden en dat hem niet een termijn is gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen zoals verzocht.
7. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), moet de officier van justitie, voordat hij op het beroep beslist, de gemachtigde in de gelegenheid stellen om te worden gehoord.
8. Ingevolge artikel 7:17 vanPro de Awb kan hiervan worden afgezien indien:
a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;
b. het beroep kennelijk ongegrond is;
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord;
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
9. Het hof stelt vast dat de gemachtigde nietin het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord.
10. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een (aangetekend verzonden) brief van 20 oktober 2017 van de officier van justitie waarin hij de gemachtigde bericht dat deze de mogelijkheid krijgt om in persoon of telefonisch gehoord te worden. Daarbij is de gemachtigde gevraagd om met de meegestuurde antwoordkaart zijn voorkeur voor één van de daarop genoemde mogelijkheden (17 november 2017 een fysieke hoorzitting of een telefoonnummer opgeven om op 17 november 2017 telefonisch te worden gehoord) aan te geven. In de brief is tevens vermeld dat, als er niet voor 3 november 2017 wordt gereageerd, de officier van justitie dat zal opvatten als een mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb, en dat dan om die reden van het horen wordt afgezien. Tevens wordt in dit schrijven aangegeven dat de gemachtigde bij de hoorzitting de gronden van het beroep verder kan aanvullen en zou bij dit schrijven het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging zijn gevoegd.
11. Op 28 november 2017 beslist de officier van justitie op het beroep en verklaart hij het beroep ongegrond. Daarbij deelt de officier van justitie mee dat de gemachtigde uitgenodigd is voor een hoorzitting. Er is geen gebruik gemaakt van de aangeboden mogelijkheid tot horen en er is niet gereageerd op de brief. Daarom wordt afgezien van het horen.
12. Het hof stelt voorop dat een hoorzitting niet achterwege mag blijven als het antwoordformulier niet wordt teruggestuurd. Hoewel de gemachtigde in zijn beroepschrift niet had verzocht om te worden gehoord, is wel een hoorzitting aangeboden en in reactie daarop aangegeven dat niet werd afgezien van het recht om te worden gehoord. Dat een volgende brief met daarin een voorgestelde datum voor een hoorzitting niet wordt afgehaald of dat, zoals hier, niet wordt gereageerd op die brief, kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord.
13. Ook de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder a of b, van de Awb doen zich hier niet voor. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken af dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 17 november 2017 is gemaakt. Een telefonische hoorzitting is slechts mogelijk op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen (artikel 7:19, derde lid, van de Awb). Dat is hier niet aan de orde.
14. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gemachtigde niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom gegrond verklaren, deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
15. Het hof stelt vast dat de gemachtigde thans wel beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
16. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 129,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 15 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 mei 2017 om 22:27 uur op de Energieweg in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
17. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat niet voldoende vaststaat dat de meting is verricht met een geijkt meetmiddel. Onder verwijzing naar het (niet gepubliceerde) arrest van dit
hof van 26 april 2018 (Wahv 200.196.128), merkt de gemachtigde op dat uit de in het zaakoverzicht verstrekte informatie onvoldoende blijkt dat de meting is verricht met een geijkt meetmiddel. Verder voert hij aan dat niet kan worden vastgesteld dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd bevoegd was en de bevoegdheid van de ambtenaar ook niet nader door is openbaar ministerie is geadstrueerd. Op de website van het CJIB zijn aktes en processen-verbaal van beëdiging van de hier betrokken ambtenaar raadpleegbaar. In al die stukken is, zo begrijpt het hof althans, de naam en handtekening van de ambtenaar die krachtens mandaat die besluiten heeft genomen weggelakt. Hierdoor is niet controleerbaar of de besluiten tot aanstelling van de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegdelijk zijn genomen. Hij verwijst daarbij naar een arrest van dit hof van 25 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4776).
18. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
19. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Hierin is onder andere vermeld dat de werkelijke snelheid is vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel en dat deze (gecorrigeerd) 65 km/h bedroeg.
20. Ten aanzien van het eerste standpunt merkt het hof op dat de vergelijking met het (niet gepubliceerde) arrest van dit hof van 26 april 2018 geen doel treft. In de onderhavige zaak is, in tegenstelling tot het voormelde arrest, opgenomen dat de snelheid is vastgesteld met – kort gezegd – een geijkt snelheidsmeetmiddel. Het hof heeft geen reden om aan deze informatie te twijfelen.
21. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het opleggen van de sanctie kan worden toegerekend aan de ambtenaar van het CJIB met nummer [00000] . De gemachtigde heeft betreffende deze ambtenaar onder andere de akte van beëdiging van 12 januari 2016 en het bijbehorend proces-verbaal van beëdiging van 2 februari 2016 overgelegd. De stukken zijn, afgezien van de naam van degene die de stukken ondertekend heeft, geanonimiseerd.
22. Anders dan de gemachtigde stelt, bevatten de stukken die door de gemachtigde zijn overgelegd wel de naam van de ambtenaar die krachtens mandaat de besluiten heeft genomen. Dat de stukken voor het overige zijn geanonimiseerd en de ondertekening is weggelakt, vormt geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar (vgl. ook het arrest van dit hof van
23. Geen van de verweren treffen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.
24. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.