Belanghebbende, een autoleasebedrijf, verzocht vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor 338 voertuigen die aan taxibedrijven werden geleased. De Inspecteur verleende de vrijstellingen met ingang van het tijdvak waarin het verzoek werd gedaan, niet met terugwerkende kracht tot de ingebruikneming van de voertuigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij zij het belang van een consistente toepassing van het Kaderbesluit zwaarder woog dan het financiële belang van belanghebbende. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de Inspecteur discretionaire bevoegdheid heeft om de ingangsdatum te bepalen, maar dat deze bevoegdheid niet zo mag worden uitgeoefend dat het financiële belang van belanghebbende onredelijk wordt geschaad. Het hof vond dat de Inspecteur onvoldoende had toegelicht waarom het belang van een consistente toepassing zwaarder moest wegen dan het aanzienlijke financiële belang van belanghebbende.
Daarom vernietigde het hof de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de vrijstelling met terugwerkende kracht tot de datum van ingebruikneming van de voertuigen moet worden verleend. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende.