In deze civiele zaak draait het om een geschil tussen Waardevast B.V. en A&D Calamiteiten Service B.V. over betaling van BTW en opslagkosten voor werkzaamheden aan een bedrijfspand en het retentierecht op de opgeslagen inboedel.
Waardevast huurt een bedrijfspand waar in mei 2016 lekkage ontstond. A&D voerde de inboedel af, reinigde en sloeg deze op. A&D factureerde ook herstelwerkzaamheden aan het pand, waarvan de verzekeraar de factuur betaalde, behalve de BTW. Waardevast weigerde de BTW te betalen, waarna A&D de inboedel niet teruggaf en opslagkosten in rekening bracht.
De rechtbank wees de vordering van Waardevast af en veroordeelde haar tot betaling van de BTW en opslagkosten. Waardevast stelde meerdere grieven aan, waaronder dat zij geen opdracht had gegeven voor de werkzaamheden en dat het retentierecht daarom niet rechtsgeldig was. Het hof oordeelt dat A&D bewijs mag leveren dat Waardevast opdracht gaf, dat contact is geweest met vertegenwoordigers van Waardevast, en dat de akte van cessie is ondertekend.
Verder oordeelt het hof dat Waardevast voldoende belang heeft bij de vordering tot afgifte van de inboedel, ook van het afgekeurde gedeelte. Het verweer van ongerechtvaardigde verrijking door A&D faalt wegens onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van opslagkosten is vastgesteld dat A&D recht heeft op bewaarloon tot het moment van ingebrekestelling in juni 2017.
Het hof houdt de beslissing aan en bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris. Partijen worden aangespoord een minnelijke regeling te onderzoeken gezien de kosten en tijd van de procedure.