Belanghebbende is eigenaar van een recreatiewoning te [Z] die voor de jaren 2017 en 2018 een WOZ-waarde kreeg toegekend van respectievelijk €584.000 en €603.000. Tegen deze waardebepalingen en de daarop gebaseerde aanslagen OZB heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
In hoger beroep voert belanghebbende aan dat de waardestijging van zijn woning sinds de bouw in 2015 onevenredig hoog is in vergelijking met andere recreatiewoningen in [Z], en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Hij overlegt een overzicht van 155 recreatiewoningen met WOZ-waarden en stelt dat de gemiddelde waardestijging van de andere woningen slechts 1,2% bedroeg, tegenover 25,3% voor zijn woning.
Het hof oordeelt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel identieke objecten vereist zijn. De woningen waarmee belanghebbende vergelijkt zijn niet identiek vanwege verschillen in kaveloppervlakte en ligging. Er is geen sprake van ongelijke behandeling met begunstigend oogmerk. De WOZ-waarde wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld, zodat een afwijkend stijgingspercentage op zichzelf geen grond voor vermindering is.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.