Partijen zijn vader en zoon die van 1984 tot 1996 samen een boerenbedrijf exploiteerden. De vader verstrekte aan zijn zoon twee leningen ter waarde van in totaal €317.647,59. De zoon betaalde tot januari 2014 maandelijks rente en in januari 2014 een bedrag van €225.289,- als aflossing van de lening.
De vader vorderde in eerste aanleg betaling van het resterende bedrag van €92.358,59, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank wees deze vordering af, oordelend dat de zoon volledig aan zijn terugbetalingsverplichting had voldaan. Het hof bevestigt dit oordeel en neemt daarbij een door beide partijen ondertekende akte uit januari 2014 als dwingend bewijs.
De vader voerde in hoger beroep meerdere grieven aan, waaronder een te late eiswijziging en een betwisting van de aflossing. Het hof verwierp deze grieven, oordeelde dat de zoon het restantbedrag in januari 2014 heeft voldaan en dat de vader onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de lening volledig is afgelost. De vordering wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.