ECLI:NL:GHARL:2020:7908

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.216/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete op kentekenhouder bij fout parkeren zonder vaststelling bestuurder

De betrokkene maakte bezwaar tegen een boete opgelegd wegens het niet gebruiken van de rijbaan met een stilstaand voertuig. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. De betrokkene stelde dat de bekeuring ten onrechte op kenteken was opgelegd omdat de bestuurder zich direct kenbaar had gemaakt.

Het hof overwoog dat artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt dat als niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder was, de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd. Uit jurisprudentie volgt dat als de ambtenaar de bestuurder direct kan identificeren, hij tot staandehouding moet overgaan. In deze zaak was geen sprake van een dergelijke confrontatie; de ambtenaar werd aangesproken door iemand die zich als eigenaar meldde, maar niet als bestuurder.

Daarom was de boete terecht aan de kentekenhouder opgelegd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete aan de kentekenhouder en wijst het beroep van de betrokkene af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.240.216/01
CJIB-nummer
: 205240090
Uitspraak d.d.
: 1 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 april 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep beperkt zich tot de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de inleidende beschikking ten onrechte in stand heeft gelaten, omdat ten onrechte op kenteken is bekeurd. De bestuurder heeft zich terstond bij de verbalisant kenbaar gemaakt en heeft direct aangegeven binnen zijn sleutels te gaan pakken bij de getuige
[B] , nadat de verbalisant de bestuurder had gewezen op een vrije parkeerkeerplek. Ongeveer een halve minuut later teruggekomen, was de verbalisant al begonnen met het maken van foto’s van het voertuig en dergelijke. Ook als de verbalisant bezig is met het uitschrijven van de bekeuring, is er een reële mogelijkheid tot staandehouding. De gemachtigde wijst daarbij op de arresten van het hof van 5 april 2016, ECLI:NL:GHARL: 2016:2690, en 20 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3752.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 februari 2017 om 00:20 uur op de Groeneweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
3. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
4. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis van artikel 5 van Pro de Wahv af (vgl. het arrest van
11 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7976, ov. 11) dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de ambtenaar – voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere jurisprudentie ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) – geconfronteerd wordt met de persoon van wie hij vermoedt dat deze de bestuurder is geweest. Zodanig vermoeden kan bij de ambtenaar ontstaan doordat de persoon met wie hij geconfronteerd wordt stelt dat hij de bestuurder is geweest, maar ook doordat de ambtenaar, hoewel onverplicht, zelf onderzoek heeft verricht en tot dat vermoeden komt. Van de ambtenaar mag dan worden verlangd dat hij tot staandehouding overgaat en die persoon – na het geven van de cautie – vraagt of hij de gedraging daadwerkelijk heeft verricht. Indien dit niet leidt tot de vaststelling dat de staande gehouden persoon de gedraging heeft verricht, kan de sanctie worden opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig (vgl. het arrest van 13 juni 2017, ECLI:GHARL:2017:4935).
5. In het zaakoverzicht is vermeld dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat bij het voertuig geen bestuurder werd aangetroffen. In het ambtsedige aanvullend proces-verbaal van
27 augustus 2017 verklaart de ambtenaar, voor zover hier van belang, het volgende. “Ik zag dat dit voertuig met de twee rechter wielen op het trottoir geparkeerd stond. Toen ik het voertuig geparkeerd zag staan besloot ik direct om deze overtreding te bekeuren. Waarop ik direct met mijn diensttelefoon aan de slag ging. Ik zag geen personen bij het voertuig ten tijde van de overtreding. Ik wist niet wie deze overtreding gepleegd had. Ik kon dit ook niet weten, omdat ik het voertuig niet rijdend heb gezien. Ik werd aangesproken door twee personen, die naar mij toe kwamen ten tijde van het uitschrijven van de bekeuring. Ik hoorde dat een van deze twee zich kenbaar maakte als eigenaar van de fout geparkeerde auto. Ik gaf aan dat ik bezig was met het uitschrijven van een bekeuring. Ik heb hen niet zien laden en lossen. Ik heb hen op een beschikbare parkeerplaats gewezen, die direct beschikbaar was in een zijstraat. Een van de twee personen heeft toen het voertuig op die plek geparkeerd, nadat hij de sleutels van het voertuig had gehaald uit een woning.”
6. De verklaring van de ambtenaar houdt in dat hij werd aangesproken terwijl hij bij de leeg aangetroffen auto bezig was gegevens voor het opleggen van de sanctie digitaal te noteren en dat een van de mannen toen heeft verklaard de eigenaar van de auto te zijn. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat degene die de auto had bestuurd en geparkeerd, heeft gezegd dat hij de bestuurder was. Een verklaring van de bestuurder en de met name genoemde getuige is niet overgelegd. Anders dan in de door de gemachtigde genoemde arresten, is aldus niet komen vast te staan dat zich een confrontatie heeft voorgedaan tussen de ambtenaar en de bestuurder die het voertuig heeft geparkeerd en dat de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen was. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
7. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door te oordelen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan en dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is. Het hof zal die beslissing bevestigen.
8. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld. Het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep zal daarom worden afgewezen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.