Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over het gehele jaar 2010, die zij betwist. Na een boekenonderzoek en bezwaarprocedure stelde de Inspecteur de aanslag bij tot € 240.864. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep betwist belanghebbende onder meer de opname van sealbagstortingen, de verwerking van vooruitbetalingen met refundverplichting en de hoogte van afstandsverkopen naar Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.
Het Hof oordeelt dat de sealbagstortingen niet aannemelijk zijn als verkopen aan particulieren in Duitsland en dat de Inspecteur het standpunt hierover tijdig heeft betwist. Voorts faalt het verweer dat omzet van december 2010 pas in 2011 moet worden verantwoord, omdat de wet bepaalt dat omzetbelasting verschuldigd is bij ontvangst van de vergoeding, ook bij refundverplichtingen.
Ten aanzien van afstandsverkopen naar het Verenigd Koninkrijk wordt het standpunt van belanghebbende als tardief beschouwd en buiten beschouwing gelaten. Voor afstandsverkopen naar Duitsland is onvoldoende bewijs geleverd dat het drempelbedrag van € 100.000 is overschreden en dat de afnemers particulieren zijn. De bestelbonnen fungeren als facturen en de btw daarop is verschuldigd, ook als de afnemers ondernemers zijn. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.