In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een vonnis van 4 februari 2020 waarin zowel een pachtzaak als een handelszaak waren beoordeeld. Appellant had het vonnis aangevochten, maar erkende zelf dat het hoger beroep tegen de pachtzaak te laat was ingediend. Hij stelde echter ontvankelijk te zijn in het hoger beroep tegen de handelszaak.
Het hof oordeelde dat de pachtkamer ook de handelszaak had behandeld en dat de korte appeltermijn van één maand na het vonnis van toepassing was op beide zaken. Aangezien appellant zijn hoger beroep pas op 4 mei 2020 had aangebracht, was dit te laat en daarom niet-ontvankelijk.
Als gevolg hiervan werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. Het arrest werd op 10 november 2020 door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen.