ECLI:NL:GHARL:2020:9798

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
26 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.248.627/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 WahvArt. 6:5 AwbArt. 30 lid 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenHoofdstuk 8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake administratieve sanctie voor niet-verzekerd motorrijtuig en inzagerecht

De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie van €400 wegens het niet afsluiten en in stand houden van een vereiste verzekering voor een motorrijtuig. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De gemachtigde voerde onder meer aan dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden en dat niet was gewezen op het recht op inzage van stukken voorafgaand aan de tweede zitting.

Het hof oordeelde dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing was op de procedure bij de kantonrechter en dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had om zich te uiten, ook schriftelijk. Het niet wijzen op het inzagerecht bij de tweede oproep was in strijd met artikel 11, vijfde lid, van de Wahv, maar dit had de belangen van de gemachtigde niet geschaad. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en behandelde het beroep inhoudelijk.

De betwisting van de bevoegdheid van de functionaris die de ambtenaar beëdigd zou hebben, werd verworpen omdat geen bewijs van beëdiging door die functionaris was geleverd. Ook het verzoek tot matiging van de sanctie werd afgewezen, aangezien de wetgever het niet in gebruik zijn van het voertuig niet als relevante factor bij de sanctieoplegging heeft gesteld. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de sanctie van €400 voor het niet verzekeren van het motorrijtuig.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.248.627/01
CJIB-nummer
: 209954062
Uitspraak d.d.
: 26 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, omdat ter zitting stukken zijn overgelegd waar de gemachtigde niet op heeft kunnen reageren.
2. Op de procedure bij de kantonrechter is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De gemachtigde had ter zitting kunnen verschijnen en had, indien hij zich niet in staat achtte om ter plekke op het standpunt van de officier van justitie te reageren, om aanhouding van de behandeling van de zaak kunnen verzoeken (vgl. ov. 8. en 9. van het arrest van het hof van
27 september 2018, te vinden op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:GHARL:2018:8634). Het verweer faalt.
3. De gemachtigde wijst er verder op dat bij de tweede oproep de gemachtigde niet overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, van de Wahv is gewezen op de mogelijkheid om de stukken in te zien.
4. De kantonrechter heeft ter zitting van 18 juni 2018 de behandeling van de zaak aangehouden ten einde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de bijlagen bij het schrijven van de gemachtigde van 1 juni 2018, waarbij de gemachtigde de gronden van het beroep had aangevuld en had laten weten niet ter zitting te verschijnen. De griffier van de rechtbank heeft bij brief van 5 juli 2018 aan de gemachtigde het proces-verbaal van die zitting toegezonden en meegedeeld dat de behandeling van het beroep ter zitting van 13 augustus 2018 om 09.25 uur wordt voortgezet. De gemachtigde is er daarbij op gewezen dat hij daar kan verschijnen om een nadere toelichting te geven. In deze oproep is niet gewezen op de mogelijkheid om de stukken in te zien.
De gemachtigde heeft bij brief van 13 juli 2018 laten weten dat de betrokkene af ziet van diens recht op een zitting. De gemachtigde verzoekt het beroep schriftelijk af te doen en verzoekt de kantonrechter uiterlijk op 30 juli 2018 uitspraak te doen. Bij brief van 20 juli 2018 bericht de griffier van de rechtbank dat niet wordt teruggekomen op de beslissing om de behandeling van de zaak aan te houden en dat de zitting van 13 augustus 2018 doorgang vindt.
5. Het niet wijzen op de mogelijkheid om de stukken in te zien is in strijd met artikel 11, vijfde lid, van de Wahv. Hoewel uit de brief van de gemachtigde van 13 juli 2018 zou kunnen worden afgeleid dat ook afstand wordt gedaan van het met het houden van een zitting samenhangend recht op inzage van de stukken, kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde door het verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Bepalend daarvoor acht het hof dat de gemachtigde met de brief van 13 juli 2018 heeft beoogd dat een nadere zitting achterwege blijft en voorts dat het dossier van de kantonrechter tussen de eerste en de tweede zitting is aangevuld met een brief van het openbaar ministerie van 7 augustus 2018.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Bij die beslissing is het administratief beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
7. De gemachtigde voert aan dat hij niet op behoorlijke wijze in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het administratief beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft een brief d.d. 6 november 2017 ontvangen waarin staat dat gronden tijdens de hoorzitting (mondeling) kunnen worden aangevuld. De betrokkene heeft echter het recht om de gronden schriftelijk aan te vullen. De gemachtigde is eerst bij brief van 30 november 2017 in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde verzuim schriftelijk te herstellen. De geboden termijn is onredelijk kort, nu hem slechts een termijn van twaalf werkdagen is gegeven.
8. In zijn administratief beroepschrift d.d. 29 september 2017 voert de gemachtigde gronden aan tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde vraagt om nadere informatie te verstrekken.
Na ontvangst van voormelde informatie verzoekt hij om een termijn voor het aanleveren van nadere (aanvullende) gronden.
9. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 6 november 2017 waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen en dat hij via het bijgevoegde antwoordformulier dient aan te geven of hij in de onderhavige zaak op 11 december 2017 in persoon wil worden gehoord of de voorkeur geeft aan een telefonische hoorzitting op 11 december 2017 dan wel op 12 december 2017. Als bijlage bij deze brief is het zaakoverzicht gevoegd, alsmede het genoemde antwoordformulier waarop in totaal vierenveertig zaken staan. Op 17 november 2017 heeft de gemachtigde gereageerd op deze brief. Hij geeft –onder meer– aan dat hij niet in kan stemmen met het mondeling indienen van gronden en verzoekt verder om de vierenveertig zaken die op de lijst staan te splitsen. De officier van justitie antwoordt bij brief van 30 november 2017 en schrijft hierin dat de gemachtigde tot en met de hoorzitting de gronden mondeling of schriftelijk nader kan aanvullen. Verder zijn de zaken gesplitst en is de (fysieke) hoorzitting voor de onderhavige zaak verplaatst naar 19 december 2017. Bij brief van 7 december 2017 verzoekt de gemachtigde nogmaals in de gelegenheid te worden gesteld nadere gronden schriftelijk in te dienen. Uit het daarvan opgemaakte verslag van de hoorzitting blijkt dat de gemachtigde op 19 december 2017 telefonisch is gehoord.
10. De opvatting van de gemachtigde dat hij recht heeft om de beroepsgronden schriftelijk aan te vullen, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Gelet op artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Indien een termijn wordt gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen dient dat een redelijke te zijn. Aan de gemachtigde zijn bij brief van 6 november 2017 de stukken verstrekt die hij nodig had om de beroepsgronden aan te vullen. Daarbij is aangegeven dat de gemachtigde tijdens het horen de gelegenheid krijgt de gronden aan te vullen. Een redelijke uitleg van deze brief brengt mee dat de gemachtigde tot het horen, dat uiteindelijk op 19 december 2017 heeft plaats gevonden, in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie –schriftelijk– aan te vullen. De officier van justitie heeft de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen. Het verweer faalt.
11. De overige bezwaren richten zich tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie van € 400,- is opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 4 juli 2017 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
12. De gemachtigde voert in de eerste plaats aan dat nergens uit blijkt dat de functionaris die de ambtenaar heeft beëdigd, [B] , hiertoe bevoegd is. Namens de advocaat-generaal is geen mandaatbesluit in het geding gebracht noch is op andere wijze hieromtrent opheldering verschaft. De gemachtigde verwijst naar een meegestuurd proces-verbaal van beëdiging en naar het arrest van dit hof van 6 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1843).
13. De stelling van de gemachtigde dat [B] de ambtenaar zou hebben beëdigd, zonder dat van zijn of haar bevoegdheid daartoe is gebleken, mist feitelijke grondslag. Het door de gemachtigde ingebrachte proces-verbaal is voorzien van “BOA/Aktenummer: [00000] /
1” (onderstreping hof) en heeft dus, anders dan de gemachtigde meent, geen betrekking op de beëdiging van de ambtenaar, maar op de uitreiking van de eerst daarop volgende akte van beëdiging. Ter informatie verwijst het hof naar het arrest van dit hof van 23 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Niet gebleken is dat de ambtenaar door [B] is beëdigd. Alleen al daarom hoeft niet te worden nagegaan of [B] via een geldig mandaat bevoegd was om boa’s te beëdigen. De situatie als bedoeld in het door de gemachtigde aangehaalde arrest van 6 maart 2017 doet zich hier dus niet voor. Dit verweer wordt verworpen.
14. De gemachtigde verzoekt om matiging van het bedrag van de sanctie, omdat de betrokkene niet met het voertuig, een oldtimer Mini van 26-jaar oud, op de openbare weg heeft gereden, de tenaamstelling in het kentekenregister met bekwame spoed is geschorst en omdat het voertuig met een oplegger is opgehaald door de nieuwe eigenaar. Verschillende Kamerleden hebben bij de minister hun zorgen geuit over het opleggen van boetes voor voertuigen die buiten gebruik zijn. Volgens de gemachtigde hanteert het openbaar ministerie bovendien het bestendige beleid om in zaken als deze het bedrag van de sanctie te matigen. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 1 september 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:7647).
15. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het in strijd met artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen niet voldoen aan de verzekeringsplicht op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval het betreffende voertuig niet aan het verkeer heeft deelgenomen dan wel heeft kunnen deelnemen. De wetgever heeft het al dan niet in gebruik zijn van een voertuig geen relevante factor gemaakt bij de sanctieoplegging. Ook is de hoogte van het sanctiebedrag daarvan niet afhankelijk gemaakt. De door de gemachtigde genoemde omstandigheden vormen geen grond om af te wijken van het door de regelgever gestelde tarief.
16. Met betrekking tot het betoog van de gemachtigde dat het openbaar ministerie beleid hanteert ten aanzien van gevallen als dit, overweegt het hof het volgende. Het openbaar ministerie heeft een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen. In de onderhavige zaak is van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Evenmin is gebleken van een vast beleid waaraan het openbaar ministerie ook ten aanzien van de betrokkene niet voorbij had mogen gaan (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:985).
17. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
18. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld. Daarom wordt het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen..

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.