ECLI:NL:GHARL:2021:10143

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.285.029/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden ondanks prioriteitmelding

De betrokkene kreeg een boete van €240 opgelegd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 16 september 2019 in Breda. De politieambtenaren zagen de overtreding maar zagen zich genoodzaakt af te zien van een staandehouding omdat zij onderweg waren naar een dringende melding van een persoon die aangifte wilde doen van een ernstig misdrijf.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de staandehouding ten onrechte was achterwege gelaten en dat niet kon worden vastgesteld dat de overtreding had plaatsgevonden omdat de telefoon zich in een carkit zou bevinden. Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar voldoende was en dat de ambtenaren terecht prioriteit hadden gegeven aan de andere melding, waardoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

Het hof stelde vast dat de mobiele telefoon daadwerkelijk met beide handen werd vastgehouden en dat er geen sprake was van een carkit. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene terecht ongegrond verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: De boete van €240 voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.285.029/01
CJIB-nummer
: 228650779
Uitspraak d.d.
: 28 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 8 september 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij e-mailbericht d.d. 1 oktober 2021 heeft de gemachtigde van de betrokkene het zittingsverzoek ingetrokken.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 september 2019 om 14.03 uur op de Prinsenkade in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de bestuurder van het onderhavige voertuig ten onrechte niet is staande gehouden. Uit de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar volgt dat de ambtenaar heeft afgezien van een staandehouding, omdat de ambtenaar “een andere melding kreeg”. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het hof stelt de gemachtigde dat die verklaring op zichzelf geen toereikende grond is om af te zien van een staandehouding.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staandehouden, omdat wij onderweg waren naar een melding en geen direct contact konden krijgen met de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon met de beide handen op het stuur vasthield. Ik zag namelijk dat er een mobiele telefoon met hoesje op het stuur vast werd gehouden. Ik heb deze waarnemingen gedaan door het genoemde voertuig langzaam te passeren, waarbij ik 10 seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken. Wij reden betrokkene met ons opvallende dienstvoertuig voorbij, echter volgde hiermee vooralsnog geen reactie van de bestuurder door de telefoon weg te leggen. (…)
Reden geen staandehouding: wij waren onderweg naar een melding en konden zodoende geen stopteken meer geven.”
4. De advocaat-generaal heeft een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2021 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Omstreeks 13.30 uur ontvingen wij de melding om te gaan naar een niet nader te noemen locatie in Breda alwaar een mevrouw zich zou bevinden die overstuur zou zijn aangezien zij de avond/nacht ervoor zou zijn verkracht, waarvan zij aangifte wilde doen. De melding werd gedaan door een begeleider van de instelling waarin zij zat.
Onderweg kwamen wij om 14.03 uur (…) een Chevrolet met kenteken: [kenteken] tegen welke (het hof begrijpt: waarvan de bestuurder) met een mobiele telefoon in de handen zat. Beide verbalisanten zagen dat deze telefoon op het stuur werd gehouden door beide handen van de betrokkene (het hof begrijpt: bestuurder). Ik, verbalisant (…) zag dat dit daadwerkelijk de handen van de betrokkene (het hof begrijpt: bestuurder) betroffen en geen carkit welke deze vast zou houden, zoals ook mijn oorspronkelijke bevinden aangaven. Collega (…) reed als bestuurder in het voertuig waarbij hij enige tijd direct naast het voertuig heeft gereden om de bestuurder te attenderen op het gevaar van deze overtreding.
Ik, verbalisant (…) zag dat de bestuurder zo druk doende bezig was met zijn telefoon dat hij niet zag dat er langs hem een herkenbaar politievoertuig voorbijreed. Gezien eerder genoemde melding, de wetenschap dat wij een zware aangifte van verkrachting en procedure moesten opstarten, hebben wij niet de gelegenheid gezien om betrokkene een volgteken te geven om hem te confronteren met het gebruik van de mobiele telefoon.”
5. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. Als reden voor het achterwege laten van een staandehouding wordt opgegeven dat de ambtenaren een melding hadden gekregen om naar een locatie te gaan alwaar een persoon aangifte wilde doen van een ernstig strafbaar feit en daartoe een procedure moest worden opgestart. Die persoon was bovendien overstuur. Uit voormelde verklaring blijkt waarom de ambtenaren voorrang wilden geven aan de andere melding en waarom zij die melding van hogere prioriteit achtten (vgl. de arresten van het hof van 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7087, 5 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2142 en 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3239). Op grond van de geschetste omstandigheden acht het hof aannemelijk dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond, zodat terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Dit verweer van de gemachtigde faalt.
7. Voorts stelt de gemachtigde dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is begaan. Hij voert daartoe aan dat de mobiele telefoon zich aan de “stuur-carkit” bevond. De ambtenaar heeft kennelijk die carkit aangezien als “hoesje” of de ambtenaar heeft ten onrechte het bedienen van een mobiele telefoon in de carkit aangemerkt als “vasthouden”. Subsidiair stelt de gemachtigde dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de gedraging niet is verricht aangezien niet een mobiel elektronisch apparaat, maar een hoesje werd vastgehouden.
8. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bovenstaande verklaringen van de ambtenaar. Daaruit volgt dat is waargenomen dat een mobiele telefoon met een hoesje met beide handen op het stuur werd vastgehouden, dat die daadwerkelijk in de handen werd gehouden en dat geen sprake was van een carkit. De ambtenaar heeft tien seconden duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. Dat sprake was van een “stuur-carkit” en de ambtenaar die carkit als hoesje heeft aangezien, is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de gemachtigde slechts stelt dat sprake was van een specifieke carkit, maar geen afbeelding van die carkit met de desbetreffende mobiele telefoon in het onderhavige voertuig heeft overgelegd. De subsidiair aangevoerde grond van de gemachtigde treft evenmin doel, nu uit de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring blijkt dat een mobiele telefoon met een hoesje en niet slechts een hoesje werd vastgehouden. Op grond van voornoemde verklaringen kan aldus worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.