Vader en zoon waren gezamenlijk rechthebbende tot een erfpachtrecht en opstalrecht met betrekking tot een woning en grond. Zij hadden ieder een aandeel van 50%. Na een verstoorde verstandhouding en mislukte onderhandelingen over de erfpachtcanon, sloten zij een overeenkomst tot verdeling waarbij Vader het erfpachtrecht en opstalrecht verkreeg voor een waarde van € 305.000, met een clausule voor verrekening bij hogere verkoopopbrengst.
Zoon stelde dat een eerdere overeenkomst tot verdeling bestond waarbij hij zou worden uitgekocht voor € 400.000, gebaseerd op een hogere waardering van het goed. Vader betwistte dit en voerde onder meer dwaling aan over de waarde. Het hof oordeelde dat de overeenkomst tot verdeling geen schriftelijkheidsvereiste kent zoals bij koop van een woning, omdat het hier gaat om verdeling van een gemeenschap. Het hof stelde partijen in de gelegenheid om hun dwalingsverweer aan te passen aan de bijzondere dwalingsregeling voor verdeling van gemeenschappen.
Verder bevestigde het hof de beslissingen van de kantonrechter dat Zoon de helft van de erfpachtcanon over 2018 aan Vader moet betalen en dat een deel van Zoons vorderingen tot betaling van facturen onvoldoende onderbouwd was. Het hoger beroep faalde voor het overige, en de zaak werd aangehouden voor nadere stukken over dwaling.