ECLI:NL:GHARL:2021:10727

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
21/00178
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaald griffierecht afgewezen

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, maar het Gerechtshof verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Belanghebbende tekende verzet aan tegen deze beslissing en voerde aan dat de niet-betaling het gevolg was van overmacht vanwege haar psychische problemen en een misverstand met haar echtgenoot.

Tijdens de zitting werd belanghebbende gehoord en zij overhandigde een griffierechtnota met een handgeschreven aantekening dat het griffierecht betaald zou zijn. Het hof beoordeelde echter dat het niet betalen van het griffierecht voortkwam uit een misverstand tussen belanghebbende en haar echtgenoot, wat geheel in de risicosfeer van belanghebbende ligt.

Het hof concludeerde dat belanghebbende wel degelijk in verzuim was en dat er geen gronden waren om het verzet gegrond te verklaren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en het hoger beroep bleef niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer 21/00178
uitspraakdatum:16 november 2021
Uitspraak van de eerst meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 22 juni 2021 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 december 2020, nummer LEE 18/3147, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) met het nummer LEE 18/3147 hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 22 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet binnen de in de herinnering van het Hof gestelde termijn is voldaan. De uitspraak is op 22 juni 2021 aangetekend aan partijen verzonden.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend. Het verzetschrift is gedagtekend 10 juli 2021 en ter griffie van het Hof ontvangen op 14 juli 2021.
1.3.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 12 oktober 2021 te Leeuwarden. Ter zitting is gehoord belanghebbende, bijgestaan door [naam1] .

2.Gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende heeft in het verzetschrift en ter zitting van het Hof aangevoerd dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de door het Hof vermelde bankrekening vanwege overmacht die is ontstaan door de problematiek van belanghebbendes psychische diagnose. In het verzetschrift is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Het verschuldigde griffierecht is door overmacht niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op vermelde bankrekening.
De overmacht is ontstaan door de problematiek van mijn psychische diagnose.
In bijlage 1, ziet u de betreffende nota. Ik heb hierover nog gebeld naar het algemeen telefoonnummer. Zij verwezen mij naar een ander telefoonnummer, bijgeschreven op de brief. Het was voor mij niet duidelijk waarover dit precies ging en het bleek over het jaar 2011 te gaan.
Ik heb dit, voor mij grote probleem, bij mijn man neergelegd.
Op de brief heb ik toen genoteerd “22 april 2021 betaald”.
Ik was dus erg verrast en van streek over deze uitspraak. Ik heb direct de brief erbij gepakt en voor de zekerheid onze bankrekening en die van mijzelf gecontroleerd. De betaling was hier niet van afgegaan. Ik heb mijn man gebeld en was al redelijk paniekerig. Ik hoopte dat hij het van zijn eigen rekening betaald had, toen kwam het misverstand aan het licht. Mijn man had begrepen dat ik de rekening betaald had tijdens ons overleg op 22 april had betaald.”
2.2.
Ter onderbouwing hiervan heeft belanghebbende een kopie van de desbetreffende griffierechtnota overgelegd. Op deze griffierechtnota staat handgeschreven vermeld: “22/4 betaald”.
2.3.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
Op grond van artikel 8:41, lid 1 in samenhang met artikel 8:108, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de indiener van een hogerberoepschrift griffierecht verschuldigd. Het zesde lid van artikel 8:41, van de Awb schrijft dwingend voor dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk is indien het griffierecht niet tijdig is betaald, tenzij niet kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest.
3.2.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald. Het Hof moet dus beoordelen of er gronden zijn waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
3.3.
Het Hof is van oordeel dat uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Hoewel het Hof wil aannemen dat belanghebbende psychische klachten heeft, laat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen andere conclusie toe dan dat het griffierecht enkel niet is betaald als gevolg van een misverstand tussen belanghebbende en haar echtgenoot. Als gevolg van dat misverstand gingen beiden er ten onrechte van uit dat de ander het verschuldigde griffierecht zou betalen, waardoor het griffierecht uiteindelijk niet is betaald. Het aldus ontstane misverstand tussen belanghebbende en haar man ligt geheel in de risicosfeer van belanghebbende.

4.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het verzet.

5.Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.
De griffier is verhinderd, De voorzitter,
de uitspraak te tekenen.
(T.H.J. Verhagen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 november 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.