In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid voor gebreken aan de dakconstructie van een woning centraal. Appellanten, verkopers van de woning, worden aangesproken door geïntimeerden, kopers, vanwege lekkages en constructieve gebreken die het normale gebruik van de woning belemmeren. De rechtbank stelde een deskundige aan om de omvang van de gebreken en herstelkosten te onderzoeken.
Het hof oordeelt dat de gebreken aan de dakconstructie voldoende vaststaan en dat deze ernstige gebreken het normale gebruik als woonhuis belemmeren. De gebreken waren ten tijde van de levering aanwezig en niet kenbaar voor de kopers, waardoor de verkopers toerekenbaar tekortgeschoten zijn. De koopovereenkomst bevat bepalingen die het risico van zichtbare en onzichtbare gebreken bij de koper leggen, maar de verkopers moeten wel instaan voor eigenschappen die nodig zijn voor normaal gebruik.
Een grief van appellanten over de vraagstelling aan de deskundige slaagt, omdat deze moet beoordelen of de huidige staat van de dakconstructie overeenkomt met de staat ten tijde van de verkoop. De kostenverdeling van het deskundigenvoorschot blijft gelijk. Het hof bekrachtigt het tussenvonnis van 24 december 2019, wijzigt het tussenvonnis van 28 juli 2020 voor wat betreft de vraagstelling aan de deskundige en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afdoening. Appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.