De curator vorderde aansprakelijkheid van de formele en feitelijke bestuurders van een gefailleerd garagebedrijf voor het boedeltekort, vanwege schending van de administratieplicht. De aandelen van het autobedrijf waren verkocht aan FinLife BV, die vanaf 1 januari 2011 de exploitatie voerde. Na bedreiging van de feitelijk bestuurder op 22 april 2011 verliet deze het pand en nam FinLife de leiding over.
De rechtbank stelde vast dat de administratieplicht was geschonden en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement was, maar oordeelde dat de bestuurders zich konden disculperen omdat zij niet nalatig waren in het treffen van maatregelen om de gevolgen te voorkomen. Het hof bevestigde dit oordeel en wees de vorderingen van de curator af.
Het hof benadrukte dat de feitelijk bestuurder niet aansprakelijk kon worden gehouden als beleidsbepaler van de formele bestuurder, maar wel dat hij feitelijk leiding gaf tot zijn vertrek. De administratie was tot 31 december 2010 deugdelijk, en het faillissement ontstond pas na het vertrek van de feitelijk bestuurder en het nalaten van FinLife om de bedrijfsvoering adequaat voort te zetten.
De curator kon niet aantonen dat de bestuurders nalatig waren geweest in het treffen van maatregelen na 22 april 2011. Het hof bekrachtigde daarom de vonnissen van de rechtbank en veroordeelde de curator in de proceskosten van het hoger beroep.