ECLI:NL:GHARL:2021:2993

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.262.972/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs reële mogelijkheid tot staandehouding

De betrokkene kreeg een sanctie van €230 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 9 augustus 2018 in IJsselstein. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de sanctie onterecht aan de kentekenhouder was opgelegd omdat er wel degelijk een reële mogelijkheid tot staandehouding was, ondanks dat de ambtenaar meldde bezig te zijn met andere werkzaamheden.

Het hof oordeelde dat artikel 5 van Pro de Wahv vereist dat een ambtenaar bij constatering van een overtreding de bestuurder staande houdt tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De enkele mededeling dat de ambtenaar bezig was met andere werkzaamheden is onvoldoende om te concluderen dat staandehouding onmogelijk was. Het hof stelde vast dat de ambtenaar niet heeft toegelicht waarom hij de werkzaamheden niet kon onderbreken om de bestuurder aan te houden.

Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Tevens werd het Openbaar Ministerie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €934,50. De overige gronden van het beroep behoefden geen bespreking meer.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat onvoldoende is aangetoond dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.262.972/01
CJIB-nummer
: 219152175
Uitspraak d.d.
: 30 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 3 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 augustus 2018 om 07.58 uur op de Baronieweg in IJsselstein met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder de sanctie is opgelegd, aangezien uit het zaakoverzicht blijkt dat er voldoende mogelijkheid bestond tot staande houden. In casu is niet staande gehouden vanwege andere werkzaamheden. Deze reden is echter zo breed dat niet kan worden gezegd dat er geen reële mogelijkheid bestond tot staande houden, althans dat tijdens deze andere werkzaamheden de ambtenaar niet had kunnen overgaan tot staande houden. In het onderhavige geval is niet gebleken van specifieke omstandigheden waardoor er geen sprake was van een reële mogelijkheid tot staandehouding. De officier van justitie dient aannemelijk te maken dat die mogelijkheid er niet was door aan te tonen van welke of wat voor werkzaamheden er sprake was.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Reden geen staandehouding: geen staandehouding i.v.m. andere werkzaamheden.”
5. Uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat de ambtenaar ter plaatse was ten tijde van de vaststelling van de gedraging. Hetgeen de ambtenaar naar voren heeft gebracht, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat staandehouding geen reële mogelijkheid was. De reden dat de ambtenaar zich bezig hield met andere werkzaamheden houdt niet noodzakelijkerwijs in dat geen staandehouding kan worden verricht (vgl. de arresten van het hof van 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7087, en 17 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10586). Het enkele feit dat de ambtenaar bezig was met andere werkzaamheden rechtvaardigt derhalve niet dat wordt afgezien van een staandehouding. In dit verband overweegt het hof dat de ambtenaar niet heeft gesteld dat en waarom hij de andere werkzaamheden niet heeft kunnen onderbreken om tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig over te gaan (vgl. het arrest van het hof van
9 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10307). Het openbaar ministerie heeft hieromtrent geen nadere informatie opgevraagd bij de ambtenaar (vgl. het arrest van het hof van 24 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7690). Het hof houdt het bij deze stand van zaken dan ook ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan. Het voorgaande betekent dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd.
6. Het hof zal als volgt beslissen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 934,50 (= 3,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.