ECLI:NL:GHARL:2021:2993
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Wijma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs reële mogelijkheid tot staandehouding
De betrokkene kreeg een sanctie van €230 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 9 augustus 2018 in IJsselstein. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de sanctie onterecht aan de kentekenhouder was opgelegd omdat er wel degelijk een reële mogelijkheid tot staandehouding was, ondanks dat de ambtenaar meldde bezig te zijn met andere werkzaamheden.
Het hof oordeelde dat artikel 5 van Pro de Wahv vereist dat een ambtenaar bij constatering van een overtreding de bestuurder staande houdt tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De enkele mededeling dat de ambtenaar bezig was met andere werkzaamheden is onvoldoende om te concluderen dat staandehouding onmogelijk was. Het hof stelde vast dat de ambtenaar niet heeft toegelicht waarom hij de werkzaamheden niet kon onderbreken om de bestuurder aan te houden.
Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Tevens werd het Openbaar Ministerie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €934,50. De overige gronden van het beroep behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat onvoldoende is aangetoond dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.