Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak verzocht een mogelijke biologische vader om DNA-onderzoek, een omgangsregeling en een informatieregeling met betrekking tot een minderjarig kind geboren binnen het huwelijk van de moeder en haar echtgenoot. De rechtbank wees deze verzoeken af, en het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze beslissing.
De verzoeker stelde dat hij de biologische vader was en dat het belang van het kind om zijn afstamming te kennen zwaarder moest wegen dan het belang van het gezin waarin het kind opgroeit. De moeder en de juridische vader betoogden dat het belang van het kind en het gezin zwaarder woog en dat er geen recht op vaderschapsvaststelling bestaat voor een mogelijke biologische vader.
Het hof overwoog dat het Nederlandse recht uitgaat van de juridische vaderschapspresumptie binnen het huwelijk en dat er geen zelfstandig recht bestaat voor een mogelijke biologische vader om zijn vaderschap vast te stellen. Ook ontbrak een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en het kind, waardoor geen omgangsregeling kon worden toegekend. Het verzoek om DNA-onderzoek werd afgewezen. De benoeming van een bijzondere curator werd eveneens niet nodig geacht. De proceskosten werden gecompenseerd en ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om vaderschapsvaststelling, omgangsregeling en DNA-onderzoek af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.