Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een pleeggezin verlengde tot 28 augustus 2021.
De moeder stelde dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is en verzocht onder meer om schorsing van de beschikking, aanstelling van een bijzondere curator, en een onafhankelijk deskundigenonderzoek naar haar opvoedingsgeschiktheid. Tevens verzocht zij haar meerderjarige dochter en haar moeder (de oma moederszijde) als belanghebbenden of informanten te erkennen.
Het hof oordeelde dat noch de zus noch de oma als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt omdat zij geen rechten of verplichtingen hebben die rechtstreeks door de beslissing worden geraakt. Ook het verzoek om hen als informanten te horen werd afgewezen. Het hof stelde vast dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige, mede door de problematiek van de moeder en de hechtingsproblematiek van het kind. Het verzoek tot een onafhankelijk deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat de moeder onvoldoende belastbaar is en eerst haar eigen problematiek moet aanpakken. De benoeming van een bijzondere curator werd eveneens afgewezen omdat geen strijd tussen de belangen van de moeder en het kind is vastgesteld.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees alle overige verzoeken af, waarmee de machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin tot 28 augustus 2021 wordt bekrachtigd en alle overige verzoeken van de moeder worden afgewezen.