Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat het recht van overpad tussen twee percelen centraal. Appellant voerde tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat het recht van overpad vroeger achter het afdak van perceel 27 liep en nu achter de nieuwe uitbouw loopt. Het hof heeft getuigen gehoord en schriftelijke verklaringen gewogen, waarbij het gewicht van onder ede afgelegde verklaringen en schriftelijke verklaringen werd afgewogen.
De verklaringen van oud-bewoners en bewoners van aangrenzende percelen werden als doorslaggevend beschouwd. Zij bevestigden dat de doorgang circa 2 meter breed was en dat gebruik werd gemaakt van een doorgang achter het afdakje. Na realisatie van de uitbouw is de doorgang echter beperkt tot circa 85 centimeter breed. Het hof oordeelde dat dit nog voldoende is voor het uitoefenen van het recht van overpad.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de grieven van appellant af. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving van de uitspraak. De vordering van geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep werd deels toegewezen, waarbij het recht van overpad werd beperkt tot de resterende strook van 85 centimeter breed.
Uitkomst: Het recht van overpad wordt bevestigd en beperkt tot een strook van 85 centimeter breed na uitbouw; appellant wordt veroordeeld in proceskosten en tot betaling van een dwangsom.