Belanghebbende, de zoon en enig erfgenaam van de overleden erflater, voerde in hoger beroep aan dat hij recht had op de partnervrijstelling erfbelasting omdat hij mantelzorg had verleend en daarvoor gemeentelijke waardering ontving. De Inspecteur had de aanslag erfbelasting opgelegd zonder toepassing van de partnervrijstelling, omdat het wettelijke vereiste van het ontvangen van het mantelzorgcompliment niet was vervuld.
Het hof overwoog dat de partnervrijstelling op grond van artikel 1a, lid 4, Successiewet 1956, uitsluitend geldt indien het mantelzorgcompliment was genoten in het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden. Dit artikel is met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 vervallen vanwege het afschaffen van het mantelzorgcompliment in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Gemeentelijke waarderingen zoals cadeaubonnen zijn geen gelijkwaardig alternatief en leiden niet tot recht op partnervrijstelling.
Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel en op het Eerste Protocol bij het EVRM werd verworpen, omdat er geen toezeggingen of gedragingen van de Inspecteur waren die recht op de vrijstelling konden doen ontstaan. Ook was de erfbelasting geen individuele en buitensporige last. Het hof benadrukte dat het aan de wetgever is om een billijke regeling te treffen en dat de rechter niet bevoegd is om de wet buiten de letterlijke bewoordingen toe te passen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.