Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing van belastingrente over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016, die samenhing met een gewijzigde verdeling van het negatieve saldo eigen woning tussen hem en zijn echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof stelde vast dat belanghebbende en zijn echtgenote ieder zelfstandig belastingplichtig zijn en dat de wettelijke bepalingen inzake belastingrente geen ruimte laten om rente te matigen vanwege samenhang met een teruggave aan de partner. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen. Ook het beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel faalde, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat de Belastingtelefoon onjuiste informatie had verstrekt en de Inspecteur voldoende had geïnformeerd.
Wel werd het begunstigend intern beleid van de Inspecteur erkend dat rente niet wordt berekend over perioden waarin het bedrag reeds bij de fiscus was, maar dit beleid was op 8 december 2017 ingetrokken. Daarom werd de belastingrente beperkt tot de periode vanaf 9 december 2017. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de beschikking van de Inspecteur, beperkte de rente tot € 441 en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.