In deze arbeidszaak stond centraal de vraag of [appellante] B.V. onrechtmatig handelde door chauffeurs substantieel minder werk te geven dan gebruikelijk, waardoor zij overwerktoeslagen misliepen. De voorzieningenrechter had [appellante] B.V. veroordeeld tot het toelaten van de chauffeurs tot het gebruikelijke werk en tot betaling van achterstallige overwerkvergoedingen met wettelijke rente en incassokosten.
Het hof bevestigde het spoedeisend belang van de zaak en sloot zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter. Uit de stukken bleek dat [appellante] B.V. de chauffeurs onder druk had gezet om akkoord te gaan met een afkoopregeling, door hen minder werk te geven dan voorheen. Dit werd als strijdig met goed werkgeverschap beoordeeld.
[appellante] B.V. kon niet aannemelijk maken dat het minder werk te verdelen had en leverde bovendien misleidende en inconsistente informatie. Het hof achtte het aannemelijk dat de chauffeurs structureel overwerk verrichtten en dat dit een arbeidsvoorwaarde was die niet eenzijdig gewijzigd kon worden. Het hof veroordeelde [appellante] B.V. tot betaling van de achterstallige bedragen en kosten, en bevestigde het vonnis van de voorzieningenrechter.