ECLI:NL:GHARL:2021:6197

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2021
Publicatiedatum
24 juni 2021
Zaaknummer
200.288.648
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag afgewezen wegens risico ouderverstoting

In deze zaak gaat het om een verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De rechtbank had dit verzoek toegewezen, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders, maar oordeelt dat het belang van het kind het meest gediend is met het behoud van het gezamenlijk gezag. Dit mede vanwege signalen van ouderverstoting en het gevaar dat de vader anders volledig buitenspel komt te staan.

De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming erkennen de problematiek en adviseren het gezamenlijk gezag in stand te laten. Het hof benadrukt ook de rol van de GI binnen de ondertoezichtstelling om bij te sturen waar nodig.

De bestreden beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het verzoek van de moeder wordt afgewezen, waarmee het gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag af en handhaaft het gezamenlijk gezag over de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.288.648
(zaaknummer rechtbank Gelderland 373687)
beschikking van 24 juni 2021
inzake
[verzoeker],
wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen,
en
[verweerster],
wonende te [B] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Willemsen te Lent, gemeente Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Nijmegen,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 12 januari 2021;
  • het verweerschrift;
  • een brief van de GI van 4 mei 2021;
  • een journaalbericht van mr. Gerrits van 11 mei 2021 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 mei 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [C] en [D] namens de GI;
  • [E] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 in [F] .
3.2
Bij beschikking van 21 december 2016 heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over [de minderjarige] en heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder vastgesteld.
3.3
[de minderjarige] en de vader hebben elkaar sinds de zomer van 2020 niet meer gezien.
3.4
[de minderjarige] staat sinds 28 augustus 2018 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 19 augustus 2020 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 28 augustus 2021.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te beëindigen en de moeder alleen met het gezag te belasten toegewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] in stand blijft.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders, of van een van hen, het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Het hof is echter – anders dan de rechtbank – van oordeel dat het belang van [de minderjarige] vergt dat de ouders toch gezamenlijk belast blijven met het gezag over [de minderjarige] . Artikel 1:253n BW geeft de rechter de ruimte om, ook indien is voldaan aan het klemcriterium, het gezamenlijk gezag in stand te laten als dat het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden (vgl. Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:533).
De speltherapeut van [de minderjarige] heeft geconstateerd dat er factoren aanwezig zijn die ouderverstoting indiceren. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI en de raad herkennen dat sprake is van een situatie waarin in het leven van [de minderjarige] geen of weinig ruimte bestaat voor de vader en waarin de vader als ouder buiten beeld dreigt te raken. Dit leidt ertoe dat de GI zich niet langer in staat acht een standpunt in te nemen over het antwoord op de vraag welke gezagssituatie het meest in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht en dat de raad – anders dan in eerste aanleg – adviseert om het gezamenlijk gezag van de ouders in stand te laten. Het hof is net als de raad van oordeel dat gezamenlijk gezag van de ouders in deze situatie het meest in het belang van [de minderjarige] is. Het is niet in haar belang wanneer de positie van de vader ongeschikt wordt gemaakt aan de positie van de moeder. Bij toekenning van het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] aan de moeder bestaat een reëel risico dat de vader volledig – en mogelijk definitief – buitenspel wordt gezet. Dat risico weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het risico dat de verstoorde communicatie tussen de ouders bij behoud van het gezamenlijk gezag leidt tot onrust voor [de minderjarige] . Daarbij acht het hof mede van belang dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling is betrokken en zo nodig kan ingrijpen bij problemen in de gezamenlijke gezagsuitoefening. De mogelijkheden van de GI om binnen de ondertoezichtstelling te werken aan een verbetering van de situatie, vormen daarnaast ook een zelfstandig argument voor het in stand laten van het gezamenlijk gezag. Alleen bij gezamenlijk gezag kan de GI aan beide ouders aanwijzingen geven, bijvoorbeeld in het kader van de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] die op korte termijn zal worden opgestart.
5.3
Het hof zal het verzoek van de moeder alsnog afwijzen.

6.De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 oktober 2020 en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te beëindigen en de moeder alleen met het gezag te belasten af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 24 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.