Partijen zijn in 1996 gehuwd en in januari 2021 gescheiden. De rechtbank wees partneralimentatie af en bepaalde de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder een polis en verrekenlasten. De vrouw ging in hoger beroep tegen de afwijzing van partneralimentatie, de polisverdeling en de verrekenlasten. De man kwam met incidenteel hoger beroep over grievend gedrag van de vrouw en onderhoudsverplichting voor de kinderen.
Het hof overweegt dat grievend gedrag van partijen wederzijds was en onvoldoende ernstig om de onderhoudsverplichting te beëindigen. De behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op € 1.964,76 netto per maand, waarbij de hofnorm als passende maatstaf geldt. Haar verdiencapaciteit wordt gesteld op 24 uur per week met een netto inkomen van € 1.582,-. De man heeft een netto draagkracht van € 3.120,- per maand. De man wordt veroordeeld tot betaling van partneralimentatie van € 169,95 per maand zolang de vrouw geen zelfstandige woonruimte heeft en € 743,- per maand zodra zij die wel heeft.
De duur van de partneralimentatie wordt beperkt tot de wettelijke termijn van vijf jaar. De polis wordt toegewezen aan de vrouw zonder dat zij aan de man hoeft te betalen. Verrekenlasten worden deels toegewezen: de vrouw betaalt € 625,28 aan de man, de man € 1.003,90 aan de vrouw. Verzoeken van de man over bijdrage aan de kinderen worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en wettelijke beperkingen. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.