Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze civiele zaak betreft de vraag of de geïntimeerde aansprakelijk is voor brandschade aan het TD-gebouw van appellant, ontstaan na werkzaamheden aan de elektrische verdeelinrichting. Appellant stelde dat de brand is veroorzaakt door ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden door geïntimeerde en diens elektricien, met name het niet correct drogen van zekeringen.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat het causaal verband tussen het handelen van geïntimeerde en de brand niet was vastgesteld. Het hof bevestigt dit oordeel na een uitgebreide beoordeling van de technische rapportages van BTB, Dekra en I-TEK. BTB concludeerde dat corrosie en overgangsweerstand in een zekering de brand veroorzaakten, maar deze bevindingen werden gemotiveerd betwist door de tegenrapportages, die wezen op onvoldoende bewijs en alternatieve oorzaken.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd om het causaal verband aannemelijk te maken en dat de stellingen onvoldoende zijn aangevuld ondanks de betwisting. Ook het scenario van daklekkage als oorzaak wordt verworpen. Het hoger beroep wordt afgewezen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd wegens onvoldoende bewijs van causaal verband tussen werkzaamheden en brand.