ECLI:NL:GHARL:2021:7709

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
11 augustus 2021
Zaaknummer
20/01070 t/m 20/01072
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AWRArt. 9 AWRArt. 67a AWRBesluit Bestuurlijke Boete BelastingdienstBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verzuimboetes wegens niet tijdig doen van aangifte IB/PVV 2015-2017

Belanghebbende kreeg voor de jaren 2015 tot en met 2017 ambtshalve aanslagen IB/PVV met daarbij opgelegde verzuimboetes wegens het niet tijdig doen van aangifte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boetes ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het hof hield een zitting via beeldbellen en oordeelde dat hoewel belanghebbendes persoonlijke omstandigheden geloofwaardig waren, er geen medische verklaring was die aantoonde dat zij niet in staat was tijdig aangifte te doen of hulp in te schakelen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat zij alle in redelijkheid te vergen zorg had betracht.

Het hof achtte de boete voor 2015 passend en geboden, maar vond voor 2016 en 2017 dat de boetes te hoog waren. Gezien de lange reeks eerdere boetes en de kwetsbare psychische toestand van belanghebbende werd de boete voor 2016 en 2017 verminderd tot 50% van het wettelijk maximum. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.

Uitkomst: Boete 2015 bevestigd, boetes 2016 en 2017 verminderd tot 50% van het maximum, Inspecteur veroordeeld tot vergoeding griffierechten en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers 20/01070 tot en met 20/01072
uitspraakdatum: 10 augustus 2021
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 oktober 2020, nummers AWB 19/6863 tot en met 19/6865, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Rotterdam(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2017 door de Inspecteur ambtshalve berekende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij elke aanslag is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Verder zijn verzuimboetes opgelegd van respectievelijk € 369 (2015) en € 5.278 (voor de jaren 2016 en 2017 afzonderlijk).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen, de belastingrente en de verzuimboetes gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraken betreffende de boetebeschikkingen in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 21 juli 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] als gemachtigde van belanghebbende alsmede [naam2] namens de Inspecteur. De onderhavige zaken zijn gelijktijdig behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Overwegingen

2.1.
De verzuimboetes zijn opgelegd vanwege het niet tijdig doen van de aangiften IB/PVV 2015 tot en met 2017.
2.2.
Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen binnen een door de Inspecteur gestelde termijn (artikel 8, lid 1, in verbinding met artikel 9, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR). De verplichting om aangifte te doen betekent dat het aangiftebiljet duidelijk en volledig moet worden ingevuld en ingediend, zodat de Inspecteur in staat is om de hoogte van de verschuldigde belasting vast te stellen (vgl. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, r.o. 3.4.4).
2.3.
Op grond van artikel 67a, eerste lid, van de AWR vormt het niet of niet binnen een bij aanmaning gestelde termijn doen van aangifte een verzuim ter zake waarvan een verzuimboete kan worden opgelegd tot een maximum van € 5.278 (tekst 2015-2017). Voor het opleggen van een verzuimboete is geen plaats indien een belanghebbende feiten stelt en bij betwisting daarvan aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit te voorkomen (avas).
2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende, na daartoe te zijn aangemaand, niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbendes gemachtigde heeft echter gesteld dat sprake is van avas zodat de verzuimboetes moeten worden vernietigd. Hij verwijst in dat kader naar belanghebbendes gedragingen tijdens het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank (zoals deze naar voren komen uit het proces-verbaal van de zitting), de door belanghebbende ingestuurde geplastificeerde krantenknipsels en een omschrijving van het gedrag van belanghebbende en de omstandigheden waaronder zij leeft.
2.5.
Het Hof stelt voorop dat het dit door belanghebbendes gemachtigde geschetste beeld over de gedragingen van belanghebbende geloofwaardig acht. Hieruit volgt echter nog niet dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om aan haar verplichting tot het doen van aangifte te voldoen. Door of namens belanghebbende is geen medische verklaring overgelegd. Voor het voeren van de onderhavige procedures heeft belanghebbende haar advocaat kunnen inschakelen terwijl niet vastgesteld kan worden dat zij de consequenties daarvan niet kan overzien. Noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat belanghebbende vanwege belemmeringen van fysieke en/of psychische aard ten tijde van het begaan van de beboetbare feiten niet tot indiening van de aangiften in staat was of niet in staat was een beroep te kunnen doen op de bijstand van een derde, en door diens tussenkomst (tijdig) aan de aangifteplicht had kunnen voldoen. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat belanghebbende alle maatregelen heeft genomen die toen redelijkerwijs van haar gevergd konden worden.
2.6.
Wat betreft de hoogte van de opgelegde boeten geldt als uitgangspunt dat geen hogere boete wordt opgelegd dan bepaald in het ter zake geldende beleid van de belastingdienst (het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (BBBB)). Meer in het bijzonder paragraaf 21, lid 2 BBBB, respectievelijk 21, lid 6 BBBB. Dit neemt niet weg dat de rechter dient te beoordelen of de opgelegde boetes in de omstandigheden van het geval passend en geboden zijn, waarbij gelet moet worden op de proportionaliteit van de boetes in verhouding tot de ernst van de gepleegde feiten. Vgl. HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7216.
2.7.
Het Hof houdt rekening met de aard en de ernst van de begane overtredingen, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter zitting naar voren zijn gekomen. Als strafverzwarende omstandigheid neemt het Hof in aanmerking dat voor een lange reeks van aaneengesloten jaren (in ieder geval vanaf 2006) verzuimboetes wegens het niet doen van aangifte zijn opgelegd aan belanghebbende. De financiële impact van de eerdere boetes was betrekkelijk gering, behoudens het jaar 2013 waarin belanghebbende is beboet tot het toen geldende wettelijk maximum. Een substantiële financiële prikkel heeft naast een op straf gericht karakter, ook als doel belanghebbende tot gedragsverandering aan te zetten. Zonder medische onderbouwing die ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat een dergelijke gedragsverandering bij belanghebbende niet mogelijk is. Als strafverminderende omstandigheid neemt het Hof in aanmerking dat er voldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat belanghebbende in een zodanig kwetsbare psychische toestand verkeert dat haar de overtredingen niet volledig zijn aan te rekenen. Alle omstandigheden afwegende acht het Hof voor het jaar 2015 de opgelegde boete van € 369 passend en geboden. Voor de jaren 2016 en 2017 acht het Hof de opgelegde boetes na vermindering tot 50% van het wettelijk maximum, derhalve € 2.639 per jaar, passend en geboden.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep betreffende de boete voor het jaar 2015 ongegrond en betreffende de boetes voor de jaren 2016 en 2017 gegrond.

3.Griffierecht en proceskosten

3.1.
Nu het Hof het hoger beroep betreffende de boetes voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten te vergoeden, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij dit Hof.
3.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep betreffende de boetes voor het jaar 2016 en 2017 heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 530 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 265), € 1.496 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 748) en € 1.496 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 748), ofwel in totaal op € 3.522. Het Hof beschouwt de zaken als samenhangend in de zin van artikel 3 van Pro voormeld besluit.

4.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetes voor de jaren 2016 en 2017,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de boetes voor de jaren 2016 en 2017,
- vermindert de boetes voor de jaren 2016 en 2017 elk tot € 2.639,
- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.522.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021.
De griffier, De voorzitter,
J.W.J. de Kort W.A.P. van Roij
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 augustus 2021
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.