De zaak betreft een hoger beroep van een belastingplichtige tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen voor navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000. De belastingplichtige had buitenlandse bankrekeningen bij KB Lux niet opgegeven, ondanks verzoeken van de Belastingdienst. De aanslagen zijn daarom op basis van schattingen vastgesteld en later deels verminderd in eerdere procedures, maar uiteindelijk onherroepelijk geworden.
De belastingplichtige stelde dat de aanslagen onjuist waren en dat de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen onrechtmatig was. Het hof oordeelde dat het verzet tegen de dwangbevelen niet kan slagen op grond van de hoogte van de aanslagen, omdat de belastingrechter exclusief bevoegd is hierover te oordelen. Wel kan worden getoetst of de tenuitvoerlegging in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het hof concludeerde dat de belastingplichtige zelf verantwoordelijk is voor het feit dat de aanslagen op schattingen zijn gebaseerd, doordat zij te laat openheid van zaken gaf. Haar proceshouding was een bewuste keuze, al dan niet op advies van haar advocaat. Er waren geen omstandigheden die de tenuitvoerlegging onrechtmatig maakten. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.