Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:8656

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
14 september 2021
Zaaknummer
200.213.095/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:177 BWArt. 6:184 lid 1 onder a BWNPR 9998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vergoeding van deel nieuwbouwkosten boerderij in aardbevingsgebied

Deze zaak betreft een vordering van appellant tegen NAM voor vergoeding van kosten die verband houden met de versterking en nieuwbouw van een boerderij in het aardbevingsgebied Groningen. De boerderij is gesloopt en er is gestart met nieuwbouw, waarbij appellant een deel van de nieuwbouwkosten als gevolg van aardbevingsschade vordert.

Het hof heeft in eerdere tussenarresten vastgesteld dat NAM aansprakelijk is voor schade door bodembewegingen door gaswinning en dat kosten van redelijke versterkingsmaatregelen onder deze aansprakelijkheid vallen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de meerkosten tussen het oorspronkelijke renovatieplan en het nieuwbouwplan vergoed moeten worden, rekening houdend met voordelen van nieuwbouw.

Na benoeming van deskundigen en ontvangst van een uitgebreid deskundigenrapport, dat onder meer de kosten van versterkingsmaatregelen en funderingsaanpassingen behandelt, heeft het hof besloten tot een comparitie van partijen en deskundigen. Tijdens deze comparitie kunnen partijen en deskundigen het rapport bespreken, nieuwe producties toelichten en aanvullende informatie over de nieuwbouw aanleveren.

Het hof heeft de procedure voortgezet met het oog op het verkrijgen van nadere toelichting en het onderzoeken van mogelijke overeenstemming tussen partijen, waarbij de kosten van deskundigen en verdere processtukken worden behandeld. De zaak is aangehouden tot na de comparitie.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor een comparitie van partijen en deskundigen om nadere toelichting te verkrijgen en mogelijke overeenstemming te onderzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015)
arrest van 14 september 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
bij de rechtbank: eiser,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te Assen,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna:
NAM,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, die kantoor houdt te Amsterdam.

1.De verdere procedure bij het hof

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 oktober 2019 hier over.
1.2
Ter uitvoering van dit tussenarrest hebben de door het hof benoemde deskundigen op 15 februari 2021 een schriftelijk deskundigenbericht opgemaakt, dat op de griffie bij het hof is ingediend en aan partijen is toegezonden.
1.3
In een beschikking van 2 april 2021 heeft de raadsheer-commissaris het honorarium van de deskundigen begroot.
1.4
Vervolgens heeft [appellant] een akte na deskundigenbericht, tevens wijziging van eis genomen. NAM heeft een antwoordakte na deskundigenbericht, tevens uitlaten eiswijziging (met producties) genomen.
1.5
Ten slotte hebben partijen de processtukken opnieuw ingediend en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.

2.Wisseling van raadsheer, nieuwe producties en wijziging van eis

2.1
In deze procedure is op 21 januari 2019 een comparitie van partijen gehouden. Mr. I.F. Clement was één van de raadsheren bij deze comparitie. Zij heeft ook de tussenarresten van 16 juli 2019 en 22 oktober 2019 mede gewezen. Zij is inmiddels niet meer aan het hof verbonden. Haar plaats zal in deze procedure worden ingenomen door mr. R.E. Weening. Het hof heeft partijen dat in een brief van 30 augustus 2021 laten weten. Partijen hebben het hof niet bericht dat zij vanwege deze wisseling van raadsheer prijs stellen op een nieuwe mondelinge behandeling.
2.2
NAM heeft bij haar antwoordakte twee nieuwe producties overgelegd. [appellant] heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal hem in de gelegenheid stellen dat alsnog te doen. Hierna zal worden ingegaan op de manier waarop dat kan.
2.3 [appellant] heeft in zijn akte na deskundigenbericht zijn eis gewijzigd. In de memorie van grieven heeft hij (onder meer) gevorderd dat NAM veroordeeld wordt tot betaling van
€ 316.074,68 (incl. btw), althans een door het hof te begroten bedrag, wegens de kosten van versterkingsmaatregelen. In de akte na deskundigenbericht vordert hij voor deze schadepost, de kosten van de versterking, een door het hof te begroten bedrag tussen € 316.074,68 (incl. btw) en € 562.431,- (incl. btw), te vermeerderen met 20% vanwege een stijging van de bouwkosten.
2.4
NAM heeft erop gewezen dat deze eiswijziging in strijd is met de twee-conclusie-regel en heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof acht de eiswijziging in dit geval toelaatbaar, omdat deze gebaseerd is op de uitkomst van het deskundigenbericht, waarmee [appellant] (net als NAM) ten tijde van het schrijven van de memorie van grieven nog niet bekend was. Bovendien leidt de eiswijziging niet tot vertraging van de procedure. NAM heeft er adequaat op kunnen reageren in een processtuk, de antwoordakte na deskundigenbericht, dat zij ook zou hebben ingediend indien [appellant] zijn eis niet zou hebben gewijzigd.

3.Het geschil en de tussenarresten van 16 juli 2019 en 22 oktober 2019

3.1
[appellant] is eigenaar van een boerderij te [woonplaats] (hierna: de boerderij), gelegen boven het Groningen-veld, waar zich geregeld aardbevingen voordoen. Hij was van plan de boerderij te gaan renoveren en daarna (met zijn gezin) te gaan bewonen en te exploiteren. Om het door hem beoogde gebruik mogelijk te maken, heeft de gemeente in 2012 het bestemmingsplan aangepast. [appellant] heeft een sloop- en een omgevingsvergunning aangevraagd. In 2013 heeft [appellant] voor het eerst aardbevingsschade gemeld. Nadien hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar de aard en omvang van de schade. Inmiddels is de boerderij gesloopt en is begonnen met nieuwbouw.
3.2
In hoger beroep heeft [appellant] een deel van de nieuwbouwkosten - oorspronkelijk € 316.074,68 (zie hiervoor) - als schade gevorderd. Het betreft volgens hem de kosten die nodig zouden zijn om de te renoveren boerderij te versterken tegen aardbevingsschade. Daarnaast heeft hij € 253.331,02 aan gevolgschade gevorderd.
3.3
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 juli 2019 vastgesteld dat sprake is (geweest) van drie bouwplannen:
- Het was eerst de bedoeling van [appellant] om een betonrand om de boerderij aan te leggen, de binnenmuur te verbouwen tot een spouwmuur en om het dak uit te lijnen en te isoleren (plan A). De verbouwing zou in 2013 starten en in 2014 worden gerealiseerd;
- Nadat in 2013 en 2014 schade aan de boerderij was ontstaan, heeft [appellant] plan A stilgelegd. Hij heeft laten onderzoeken (door Wiertsema en Nanninga) welke versterkingen nodig waren om de overeenkomstig plan A te verbouwen boerderij aardbevingsbestendig te maken. Het aangepaste plan, dat voorzag in het aanbrengen van een betonnen plaat onder de boerderij, is plan B;
- Uit latere rapporten (van Goudstikker-de Vries en Wiertsema) volgde dat plan B niet voldoende is om de boerderij aardbevingsbestendig te maken. Er is een nieuw plan ontwikkeld dat wel aardbevingsbestendig is, plan C. Plan C voorziet in sloop van de boerderij en in de bouw van een nieuwe, onderkelderde, boerderij.
Volgens [appellant] dient NAM het verschil in bouwkosten tussen plan A en plan C te vergoeden, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de verbeteringen (voordelen) die plan C ten opzichte van plan A heeft.
3.4
In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof verder - samengevat - het volgende overwogen:
- NAM is op grond van artikel 6:177 BW Pro aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM (5.3);
- Op grond van artikel 6:184 lid 1 onder Pro a BW is NAM aansprakelijk voor de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van aardbevingsschade wanneer sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging van dergelijke schade. Daarbij dient wel een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd (5.4);
- Ook nog te maken kosten van versterkingsmaatregelen vallen onder het bereik van artikel 6:184 BW Pro (5.5 en 5.6);
- Er is nog steeds sprake van een ernstige en onmiddellijke dreiging (5.7);
- Maatregelen die op grond van de NPR 9998 bij de verbouwing of nieuwbouw van een gebouw worden genomen, zijn in beginsel redelijk. Als de kosten van die maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van ver- of nieuwbouw kan dat anders zijn (5.9);
- NAM is in beginsel aansprakelijk voor de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van de versterkingsmaatregelen die op grond van de NPR 9998 moeten worden genomen; (5.10). Maar het is ook mogelijk dat NAM aansprakelijk is voor (een deel van) de meerkosten tussen plan A en plan C, zoals [appellant] vordert. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat renovatie van de boerderij conform plan A (en plan B) niet mogelijk is vanwege de maatregelen die genomen moeten worden om de boerderij aardbevingsbestendig te maken (genormeerd volgens de NPR 9998). Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het voordeel dat [appellant] heeft van het feit dat nieuwbouw in plaats van renovatie plaatsvindt (5.11);
- Het is voldoende aannemelijk dat [appellant] plan A daadwerkelijk wilde realiseren en dat door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden plan A nog niet gerealiseerd was toen, in 2015, de NPR 9998 was ontwikkeld (5.12 - 5.15);
- Indien plan A, los van het risico op aardbevingsschade, niet kon worden gerealiseerd omdat de constructie (fundering) tekortschoot, heeft [appellant] geen aanspraak op de kosten die gemoeid zijn met verbetering van de constructie, uiteraard wel op de meerkosten die het gevolg zijn van toepassing van de normen van de NPR 9998 (5.16);
- Gelet op het verschil van mening over tal van technische aspecten, is een onderzoek door deskundigen noodzakelijk (5.17 e.v.).
3.5
In het tussenarrest van 22 oktober 2019 heeft het hof ir. [naam1] van EBMC Nederland en ing. [naam2] tot deskundigen benoemd. Aan deze deskundigen (die hierna ook als de deskundigen worden aangeduid) zijn 15 vragen (a tot en met o) voorgelegd.

4.4. Hoe nu verder?

4.1
De deskundigen hebben op 15 februari 2021 een omvangrijk definitief rapport uitgebracht. Het bevat onder meer een bespreking door de deskundigen van de reactie van de advocaten van partijen op de concept-versie van het rapport.
4.2
De deskundigen komen onder meer tot de volgende (deels door partijen bestreden) bevindingen:
- Bij realisering van plannen A en B zouden, ook wanneer geen rekening zou moeten worden gehouden met het risico op aardbevingen, (naar het hof uit het rapport opmaakt: forse) aanpassingen moeten worden gerealiseerd ter verbetering van de constructie en fundering.
- Daarnaast zouden aanpassingen moeten worden gerealiseerd om deze plannen aardbevingsbestendig te maken. De directe kosten van deze aanpassingen bedragen
- afgerond - € 145.000,-, de totale kosten - afgerond - € 560.000,-.
- De kosten van plan C zijn hoger dan wanneer bij dit plan geen rekening hoeft te worden gehouden met het risico op aardbevingen. Omdat zij niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikten, konden de deskundigen deze meerkosten niet vaststellen.
- Plan C en plan A zijn eigenlijk niet te vergelijken. Plan C is wel een verbetering in vergelijking met plan A.
4.3
Het hof heeft er, mede gezien de kritiek van partijen (vooral NAM) op het definitieve rapport van de deskundigen, behoefte aan om het rapport met partijen en de deskundigen te bespreken tijdens een nieuwe comparitie van partijen.
Deskundige [naam1] heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan een dergelijke comparitie van partijen. Hij zal worden bijgestaan door ir. [naam3] , die in overleg met de beide deskundigen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het onderzoek. Deskundige [naam2] is om medische redenen niet in staat een comparitie van partijen bij te wonen.
4.4
Bij gelegenheid van deze comparitie kunnen deskundige [naam1] en ir. [naam3] (hierna in deze samenstelling gemakshalve ook aangeduid als de deskundigen) reageren op de kritiek van partijen en aan de hand van vragen van het hof (en van partijen) een toelichting geven op (de hoofdlijnen van [1] ) hun rapport. Bovendien kan [appellant] voorafgaand aan de comparitie van partijen reageren op de nieuwe producties van NAM en kan hij meer informatie in het geding brengen over plan C, dat nu daadwerkelijk gerealiseerd lijkt te zijn. Het gaat dan in elk geval om de definitieve (constructie)tekeningen en berekeningen en om de daadwerkelijk gemaakte bouwkosten (en eventueel nog te verwachten kosten) en zo mogelijk om de door de deskundigen in hun antwoord op vraag j vermelde, ontbrekende informatie. Aan de hand van deze informatie kunnen de deskundigen het nu door hen gegeven antwoord op vraag j, naar de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C, zo mogelijk uitbreiden en concretiseren.
4.5
De griffie van het hof zal ervoor zorgen dat deskundigen de na het deskundigenrapport verschenen processtukken ontvangen en dat hun verhinderdata zullen worden opgevraagd.
Het hof zal aan het slot van de comparitie een beslissing nemen over de vergoeding van de kosten van deskundigen.

5.5. De beslissingHet hof:

bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en NAM vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat deskundigen bij deze comparitie aanwezig zullen zijn;
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden november 2021 tot en met maart 2022 zullen opgeven op de roldatum 28 september 2021, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt), rekening houdend met de verhinderdagen van deskundige [naam1] en van ir. [naam3] , zullen worden vastgesteld;
verwijst de zaak naar de rol van 26 september 2021 voor akte uitlating productie en bepaalt dat [appellant] bij deze akte ook de onder 4.4 bedoelde stukken in het geding dient te brengen;
bepaalt dat indien partijen ter voorbereiding op de comparitie nog andere stukken in het geding willen brengen, zij ervoor dienen te zorgen dat het hof, deskundige [naam1] en ir. [naam3] en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en D.J. Keur en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Het hof heeft er op voorhand begrip voor dat de deskundigen ter zitting niet adequaat kunnen reageren op vragen over details van hun rapport.