ECLI:NL:GHARL:2021:885

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.272.268/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 7:18 AwbArt. 8:58 AwbArt. 62 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake overtreding geslotenverklaring met camerahandhaving

De betrokkene is in eerste aanleg door de kantonrechter veroordeeld voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring op de Kristalweg in Delft, vastgesteld via camerahandhaving. De betrokkene stelde in hoger beroep dat de bevoegdheid tot verbaliseren ontbrak omdat het bord niet zichtbaar was op de foto en dat er geen recente schouwrapporten waren overgelegd.

Het hof overwoog dat op grond van het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen een maandelijkse schouw van de bebording vereist is om de aanwezigheid ervan te bevestigen wanneer het bord niet op de foto zichtbaar is. Hoewel de kantonrechter het ontbreken van een schouwrapport na de constatering had miskend, werden in hoger beroep twee processen-verbaal van bevindingen overgelegd waarin werd bevestigd dat de bebording juist was geplaatst en zichtbaar was op de relevante data.

De betrokkene betwistte de overtreding, maar het hof vond op basis van de overgelegde stukken, waaronder foto’s en verklaringen van de ambtenaar, voldoende bewijs dat de overtreding had plaatsgevonden. De beslissing van de kantonrechter werd daarom bevestigd met verbetering van de motivering.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd dat de betrokkene de geslotenverklaring heeft overtreden en de sanctie gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.272.268/01
CJIB-nummer
: 221188510
Uitspraak d.d.
: 29 januari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 december 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 januari 2021. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert gronden aan tegen de motivering van de beslissing van de kantonrechter. Hij stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter heeft miskend dat de gedraging niet vaststaat dan wel dat de bevoegdheid om te verbaliseren ontbreekt aangezien volgens het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden bij handhaving met camera’s het bord zichtbaar op de foto moet zijn, inclusief de contouren van het voertuig, en bij het ontbreken van het bord op de foto er een onderbouwing met schouwgegevens moet zijn, terwijl daarvan geen sprake is. In de overwegingen van de kantonrechter wordt gewag gemaakt van een schouwrapport van vóór de constatering, maar geen van erna. De gemachtigde noch de betrokkene heeft dit schouwrapport gezien. Als het zou bestaan, had het niet door de kantonrechter bij de beoordeling mogen worden betrokken. Voorts kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven nu de kantonrechter heeft miskend dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven omdat het in de overwegingen van de kantonrechter genoemde schouwrapport in de fase van het administratief beroep had moeten worden opgevraagd.
2. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de fase van het administratief beroep gehouden is op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om de stukken waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1050).
3. Uit het dossier blijkt het volgende. In het administratief beroepschrift d.d. 14 december 2018 is onder meer aangevoerd dat de betrokkene twijfels heeft over de waarneming en is namens de gemachtigde aangegeven dat de betrokkene het volledige dossier wenst te ontvangen. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2018. Hierin verklaart de ambtenaar dat bij de doorgang Kristalweg de geslotenverklaring (bord C1 conform het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)) juist was opgesteld en dat hij zag dat bij de ingang en uitgang van deze locatie de bebording duidelijk zichtbaar was. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie dit proces-verbaal ter zitting heeft overgelegd.
4. In de fase van het administratief beroep heeft de gemachtigde de bebording niet betwist. Het verweer van de gemachtigde dat het schouwrapport in de fase van het administratief beroep had moeten worden opgevraagd, kan derhalve niet slagen (vgl. het arrest van het hof van 8 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5311).
5. De zitting van de kantonrechter is bij uitstek de plaats waar de officier van justitie kan reageren op door de gemachtigde naar voren gebrachte (aanvullende) beroepsgronden. Ook kan hij daarbij nieuwe informatie inbrengen (vgl. het arrest van het hof van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3893). De Wahv kent geen bepaling - zoals bijvoorbeeld artikel 8:58 van Pro de Awb - met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. De behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de Wahv heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze nader toe te lichten. Daarbij kunnen partijen reageren op de in het dossier aanwezige stukken. Indien één van de partijen ter zitting nadere stukken overlegt, kan de kantonrechter deze stukken ter zitting aan de orde stellen en partijen daarop laten reageren. Mocht één van de partijen - gelet op het korte tijdsbestek - aangeven niet in staat te zijn adequaat te reageren op de aanvullende informatie, dan dient de kantonrechter de behandeling van de zaak aan te houden. Onder deze omstandigheden zijn er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3810).
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen. De gevolgen van de omstandigheid dat de gemachtigde het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting ingebrachte schouwrapport niet heeft gezien, komen daarmee voor rekening van de (gemachtigde van de) betrokkene. De kantonrechter heeft het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het schouwrapport bij de beoordeling mogen betrekken. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.
7. De gemachtigde verwijst naar het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (Beleidskader). In het Beleidskader (versie augustus 2018) is onder de kop “Randvoorwaarden en uitgangspunten” - onder meer - het volgende opgenomen:
“Indien camerasystemen in werking zijn waarop de borden niet zichtbaar zijn, dan zal een (minimaal) maandelijkse omgevingsschouw moeten plaatsvinden door een opsporingsambtenaar. Deze legt in een proces-verbaal vast dat de borden en de daarbij behorende onderborden juist zijn geplaatst”.
8. Het voorgaande betekent dat het niet zichtbaar zijn van het C-bord op de foto steeds op een wijze als in het Beleidskader beschreven, te weten door middel van een omgevingsschouw die (minimaal) maandelijks plaatsvindt, dient te worden ondervangen. Een en ander uiteraard met het doel om de aanwezigheid van het bord C1 vast te kunnen stellen bij een eventuele betwisting van de aanwezigheid daarvan ten tijde van de constatering van een gedraging in strijd met dat bord (vgl. het arrest van het hof van 8 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5311).
9. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat de kantonrechter het hiervoor overwogene heeft miskend. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het gebrek dat het bord C1 niet zichtbaar is op de foto van de gedraging op een andere wijze (voldoende) is ondervangen.
10. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal evenwel twee processen-verbaal van bevindingen overgelegd, te weten voornoemd proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2018 en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2018. In beide processen-verbaal verklaart de ambtenaar dat bij de doorgang Kristalweg de geslotenverklaring (bord C1 conform het RVV 1990) juist was opgesteld en dat hij zag dat bij de ingang en uitgang van deze locatie de bebording duidelijk zichtbaar was. Aanwijzingen dat de bebording op de datum en het tijdstip van de constatering van de onderhavige gedraging, 3 november 2018 om 13.21 uur, anders zou zijn geweest, zijn er niet, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de bebording ook toen aanwezig is geweest. Het hof ziet derhalve geen reden eraan te twijfelen dat de geslotenverklaring op juiste wijze was aangegeven. De klacht dat schouwgegevens ontbreken, treft in zoverre geen doel.
11. De overige gronden van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 november 2018 om 13.21 uur op de Kristalweg in Delft met het voertuig met het kenteken
[YY-000-Y] .
12. Namens de betrokkene betwist de gemachtigde de gedraging. De betrokkene voert aan geen bord te hebben genegeerd.
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daartoe aanleiding geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“overtreden artikel: 62 jo. bord C1 RVV 1990”.
15. Het dossier bevat verder een verklaring d.d. 8 maart 2019. Hierin verklaart de ambtenaar dat de gedraging op 3 november 2018 om 13.21 uur geautomatiseerd is geconstateerd en op een digitale foto is vastgesteld door een camera die op enkele meters voor het geplaatste bord C01 is geplaatst.
16. Ook bevat het dossier een aankondiging van beschikking. Hierbij zijn twee foto’s van het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] en een uitvergrote foto van dit kenteken gevoegd. In de databalk onder één van de foto’s van het voertuig is weergegeven op welke datum en welk tijdstip de foto is gemaakt, te weten op 3 november 2018 om 13.21 uur. Deze gegevens komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
17. In hoger beroep zijn voornoemde processen-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2018 en 8 november 2018 betreffende de bebording C1 bij de Kristalweg overgelegd. Het verweer dat de betrokkene geen bord heeft genegeerd, kan gelet hierop niet slagen.
18. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bovengenoemde gegevens. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
19. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het met verbetering van gronden, gelet op de overwegingen 7. tot en met 10. die noodzakelijk zijn voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.