ECLI:NL:GHARL:2021:9441

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.277.071/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. van Schuijlenburg
  • M. Arntz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) betreffende sanctie voor parkeren in groenstrook

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, die op 23 januari 2020 een sanctie had opgelegd aan de betrokkene voor het parkeren van zijn voertuig in een groenstrook. De betrokkene, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M. Lagas, heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, die het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees. De kantonrechter had geoordeeld dat de betrokkene een sanctie van € 95,- was opgelegd voor het laten staan van zijn voertuig in een park of groenstrook op 24 februari 2019 in Zwolle.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de sanctie niet in stand kon blijven, omdat het overtreden voorschrift niet was vermeld in de sanctiebeschikking, wat in strijd zou zijn met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het hof oordeelde echter dat de betrokkene niet in zijn belangen was geschaad, omdat hij van meet af aan wist waartegen hij zich had te verdedigen. Het hof concludeerde dat de kantonrechter op goede gronden had geoordeeld dat de gedraging was verricht en dat de plek waar het voertuig was geparkeerd als een groenstrook kon worden aangemerkt.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, verwijzend naar eerdere arresten waarin werd geoordeeld dat er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door mr. J. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. M. Arntz als griffier, op een openbare zitting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.277.071/01
CJIB-nummer
: 223986353
Uitspraak d.d.
: 7 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 23 januari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard en het verzoek om vergoeding van proceskosten heeft afgewezen.
2. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”.
Deze gedraging zou zijn verricht op 24 februari 2019 om 12:44 uur op de Wipstrikkerallee in Zwolle met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, omdat daarin niet is vermeld welk wettelijk voorschrift zou overtreden. Dit is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wahv en artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie en de betrokkene is daardoor in zijn belang geschaad. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1832
.
4. Met de gemachtigde constateert het hof dat het overtreden voorschrift niet is vermeld in de sanctiebeschikking. Onder verwijzing naar zijn arrest van 21 april 2021, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2021:3924, ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de betrokkene daardoor in zijn belangen is geschaad.
5. Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in dit geval, anders dan in het arrest waar de gemachtigde naar verwijst, niet eerst in hoger beroep duidelijk is geworden op grond van welk voorschrift de aan de betrokkene sanctie is opgelegd. Uit het in administratief beroep reeds gevoerde verweer blijkt dat (de gemachtigde van) de betrokkene van meet af aan wist waartegen hij zich had te verweren. Bovendien blijkt uit de beslissing van de kantonrechter dat de onderhavige gedraging een overtreding van artikel 5:11 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Zwolle (hierna: APV Zwolle) betreft.
6. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel komt dat de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd is aan te merken als een groenstrook en niet als een berm, zoals de gemachtigde stelt. De gemachtigde merkt daarbij op dat de kantonrechter bij zijn oordeel heeft betrokken dat de betreffende strook gras is afgebakend met trottoirbanden, terwijl die er niet zijn. Zoals blijkt uit de foto’s die de gemachtigde heeft overgelegd, sluit het stuk gras direct aan op de rijbaan en bestaat de overgang daartussen uit een lichte geul met bermkanttegels.
7. Ingevolge artikel 5:11 van de destijds geldende APV Zwolle is het verboden om een voertuig in een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook te laten staan. De betrokkene ontkent niet zijn auto ter plaatse te hebben geparkeerd. De vraag die voorligt, is of die plek moet worden gekwalificeerd als een berm of als een groenstrook. Van belang is daarbij met name hoe het terrein zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet.
8. Op de foto’s die zich in het dossier bevinden, is te zien dat zich tussen de hoofdrijbaan en de ventweg van de Wipstrikkerallee te Zwolle een strook gras bevindt met daarin bomen die op regelmatige afstand van elkaar staan. Op de foto’s is voorts te zien dat het voertuig van de betrokkene op die strook staat, tussen twee bomen in. De strook is aan de kant die grenst aan de hoofdrijbaan afgezet met trottoirbanden en aan de andere kant, die grenst aan de ventweg, deels ook en voorts met een goot die is voorzien van klinkers. Rechts van de ventweg bevindt zich nog een strook gras met bomen en daarnaast loopt een (voet)pad. Verder is aan weerzijden van de Wipstrikkerallee bebouwing te zien. Het hof is van oordeel dat de plek waar het voertuig van de betrokkene staat, kan worden aangemerkt als een groenstrook. Dat de strook gras niet volledig is afgezet met trottoirbanden maakt niet dat sprake is van een berm.
9. De kantonrechter is derhalve op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
10. Gelet op de arresten van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786), is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.