Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, die op 23 januari 2020 een sanctie had opgelegd aan de betrokkene voor het parkeren van zijn voertuig in een groenstrook. De betrokkene, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M. Lagas, heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, die het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees. De kantonrechter had geoordeeld dat de betrokkene een sanctie van € 95,- was opgelegd voor het laten staan van zijn voertuig in een park of groenstrook op 24 februari 2019 in Zwolle.
De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de sanctie niet in stand kon blijven, omdat het overtreden voorschrift niet was vermeld in de sanctiebeschikking, wat in strijd zou zijn met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het hof oordeelde echter dat de betrokkene niet in zijn belangen was geschaad, omdat hij van meet af aan wist waartegen hij zich had te verdedigen. Het hof concludeerde dat de kantonrechter op goede gronden had geoordeeld dat de gedraging was verricht en dat de plek waar het voertuig was geparkeerd als een groenstrook kon worden aangemerkt.
Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, verwijzend naar eerdere arresten waarin werd geoordeeld dat er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door mr. J. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. M. Arntz als griffier, op een openbare zitting.