ECLI:NL:RBNNE:2025:5021
Rechtbank Noord-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- H.J. Bastin
- W.B. Jongsma
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke procedure inzake verkeersboete opgelegd aan betrokkene in Groningen
Op 24 oktober 2025 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een verkeersboete die aan de betrokkene was opgelegd. De boete was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het zonder ontheffing parkeren van een voertuig langer dan 6 meter/hoger dan 2,4 meter op een verboden plaats. De overtreding vond plaats op 13 januari 2024 om 15:18 uur op de Kaliumstraat in Groningen. De opgelegde boete bedroeg € 119,00, inclusief administratiekosten.
De betrokkene had tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting was de vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. Z. Fluitsma, aanwezig. De gemachtigde van de betrokkene, mr. N.G.A. Voorbach, voerde aan dat het overtreden voorschrift niet was vermeld in de inleidende beschikking en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat het overtreden voorschrift, artikel 5:8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Groningen, wel degelijk was genoemd. Hierdoor was het voor de betrokkene duidelijk waartegen hij zich moest verweren, vooral omdat hij werd bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener. De kantonrechter concludeerde dat de betrokkene niet in zijn belangen was geschaad en dat er geen aanleiding was om de boete te matigen of te vernietigen. De proceskosten kwamen niet voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond.