ECLI:NL:GHARL:2021:9733

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 oktober 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.516/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 RVV 1990Art. 26 RVV 1990Art. 85 RVV 1990Artikel 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder parkeerschijf is verboden

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het parkeren zonder duidelijke parkeerschijf bij een gehandicaptenparkeerplaats met een maximale parkeerduur van drie uur. Hoewel de betrokkene een gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar in het voertuig had, stond het voertuig geparkeerd bij een bord E6 met een onderbord dat een parkeerschijf verplicht stelde.

De betrokkene voerde aan dat artikel 85 van Pro het RVV 1990 vrijstelling verleent voor het gebruik van een parkeerschijf bij een gehandicaptenparkeerkaart, maar het hof oordeelde dat deze uitzondering niet geldt voor de verplichting tot het gebruik van een parkeerschijf op gehandicaptenparkeerplaatsen met een beperkte parkeerduur. Het hof wijzigde de feitcode naar R397E en verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond.

Het hof wees het verzoek tot matiging van de sanctie af, omdat het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart geen reden is om het sanctiebedrag te verlagen. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: De sanctie voor het parkeren zonder parkeerschijf op een gehandicaptenparkeerplaats met beperkte parkeerduur wordt bevestigd en de feitcode gewijzigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.270.516/01
CJIB-nummer
: 220385533
Uitspraak d.d.
: 18 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl niet is voorzien van een duidelijke geplaatste parkeerschijf”. Deze gedraging zou zijn verricht op
20 september 2018 om 16:28 uur op de Verwersdijk in Delft met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gehandicaptenparkeerkaart van de betrokkene duidelijk zichtbaar aanwezig was in het voertuig. Het eerste onderdeel van artikel 85, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) maakt dat de betrokkene met een gehandicaptenparkeerkaart binnen een blauwe zone mag staan zonder tijdsbeperking, daar de betrokkene van artikel 25 van Pro het RVV 1990 wordt vrijgesteld. De sanctie is, nu de betrokkene beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart, daarom ten onrechte opgelegd. Een onderbord kan de werking van het bord erboven niet beperken, wanneer dit ook in strijd is met het RVV 1990. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat in de hoogte van het sanctiebedrag onderscheid dient te worden gemaakt tussen voldoende mobiele verkeersdeelnemers die ten koste van de beschermde doelgroep gebruik maken van een gehandicaptenparkeerplaats en verkeersdeelnemers die aannemelijk maken tot die doelgroep te behoren, maar om uiteenlopende redenen geen duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart of parkeerschijf in het voertuig aanwezig hadden. De gemachtigde verzoekt het sanctiebedrag van matigen tot € 30,-. De gemachtigde verwijst hierbij naar de arresten van het hof van 16 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2512) en 8 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2268).
3. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 25, tweede lid, van het RVV 1990. Hierin is het volgende bepaald:
“Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.”
4. Artikel 26 van Pro het RVV 1990 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:
b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt;
2. Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauw streep.”
5. Artikel 85 van Pro het RVV 1990 luidt – voor zover van belang - als volgt:
“1. Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en Pro, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel 2, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.”
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 18 december 2018. Hierin verklaart de ambtenaar - voor zover van belang - het volgende:
“Toen ik bij het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] kwam, zag ik dat er geen blauwe schijf (het hof begrijpt: parkeerschijf) op het dashboard lag. Ik heb onze database geraadpleegd en zag dat het kenteken geregistreerd stond met parkeerrecht gekoppeld aan een gehandicaptenparkeerkaart.
Ik zag dat het bord E6 met onderbord ‘max 3h parkeerschijf verplicht; ma t/m zo 8-21h’ aanwezig en duidelijk zichtbaar was.”
7. Het dossier bevat daarnaast een aantal foto’s van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. Het voertuig staat geparkeerd in een parkeervak naast een bord E6 met een onderbord met de tekst ‘max 3h parkeerschijf verplicht’ en ‘ma t/m zo 8-21h’. Daarnaast is te zien dat er geen blauwe streep aanwezig is.
8. Niet ter discussie staat dat de betrokkene beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart en dat het voertuig stond geparkeerd bij een bord E6 met onderbord met de tekst ‘max 3h parkeerschijf verplicht; ma t/m zo 8-21h’. Daarnaast stelt het hof vast het voertuig niet was voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf en dat er geen blauwe streep aanwezig was.
9. De betrokkene wordt verweten dat hij zijn voertuig heeft geparkeerd bij een blauwe streep terwijl dat voertuig niet is voorzien van een duidelijk geplaatste parkeerschijf (artikel 25, tweede lid, van het RVV 1990). Nu uit het dossier blijkt dat er geen blauwe streep aanwezig was, kan deze gedraging niet worden vastgesteld.
10. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift voorgesteld de feitcode van de gedraging te wijzigen in R397E met de omschrijving ‘parkeren op een parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze’.
11. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijke wijziging -ook in hoger beroep- geoorloofd indien een betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad. Nu het gaat om hetzelfde feitencomplex, de hoogte van het sanctiebedrag voor beide gedragingen gelijk is en de gemachtigde de gelegenheid heeft gehad op de eventuele wijziging van de feitcode te reageren, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal voorgestelde wijziging op zichzelf geoorloofd is.
12. Het hof zal beoordelen of kan worden vastgesteld dat de gedraging ‘parkeren op een parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze’ is verricht.
13. De betrokkene heeft het voertuig waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar was aangebracht geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats. Onder het bord E6 bevond zich een onderbord met de tekst 'max 3h parkeerschijf verplicht'. De stelling van de gemachtigde dat dit onderbord in strijd is met het RVV 1990 volgt het hof niet.
14. Het voertuig was niet voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 26, tweede lid, van het RVV 1990, in welk artikellid artikel 25, tweede lid, van het RVV 1990 van overeenkomstige toepassing is verklaard. Ingevolge het eerste onderdeel van artikel 85, eerste lid, van het RVV 1990 is - kortgezegd - artikel 25 van Pro het RVV 1990 niet van toepassing op bestuurders van een motorvoertuig waarin een gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht. Nu artikel 25, tweede lid, slechts van overeenkomstige toepassing is verklaard en het (nieuwe) verwijt niet de overtreding van artikel 25 van Pro het RVV 1990 betreft maar van artikel 26, tweede lid, van deze regeling, komt de betrokkene geen beroep toe op dit onderdeel van artikel 85, eerste lid, van het RVV 1990.
15. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging ‘parkeren op een parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze’ is verricht. De feitcode en de omschrijving van de gedraging kunnen gewijzigd worden.
16. Naar het oordeel van het hof is verder niet gebleken van redenen om het sanctiebedrag te matigen. Dat de betrokkene wel over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte vormt niet een dergelijke reden. Anders dan in de arresten waar de gemachtigde naar verwijst, wordt de betrokkene niet verweten geen gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar in het voertuig aanwezig te hebben. Ook heeft de advocaat-generaal niet voorgesteld het bedrag van de sanctie te matigen.
17. Het hof zal als volgt beslissen.
18. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.148,50 (= (1,5 x € 534,- x 0,5) + (2 x € 748,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in R 397 E ‘parkeren op een parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze’.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.148,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.