ECLI:NL:GHARL:2022:10642

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
200.272.185
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfgename banktegoeden en vorderingen in nalatenschap: opzettelijk verzwijgen of verborgen houden?

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden diende, ging het om de vraag of de erfgename [de erflaatster] opzettelijk banktegoeden en een schadevergoedingsvordering had verzwegen of verborgen gehouden voor de andere erfgenamen. De zaak volgde op een eerdere uitspraak van de rechtbank Overijssel, waarin was geoordeeld dat [de erflaatster] haar aandeel in de nalatenschap had verbeurd. Het hof heeft op 13 december 2022 arrest gewezen na een tussenarrest op 2 augustus 2022, waarin een mondelinge behandeling was bepaald. De appellant, [appellant], stelde dat [de erflaatster] op de hoogte was van de bankrekeningen en de opnames die door haar broer [naam3] waren gedaan, maar het hof oordeelde dat niet was komen vast te staan dat [de erflaatster] wist van de opnames van € 100.000 en € 385.437 door [naam3] op respectievelijk 4 en 6 juli 2012. Het hof concludeerde dat [de erflaatster] niet opzettelijk had verzwegen dat zij deze bedragen in haar bezit had en dat zij haar aandeel in de nalatenschap niet had verbeurd. De vorderingen van de neven en nicht werden afgewezen, en het hof compenseerde de proceskosten tussen partijen. De zaak benadrukt de complexiteit van nalatenschappen en de verantwoordelijkheden van erfgenamen in het kader van transparantie en communicatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.272.185
(zaaknummer rechtbank Overijssel 190358)
arrest van13 december 2022
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] ),
wonende te [woonplaats1] ,
in zijn hoedanigheid van enig erfgenaam in de nalatenschap van
[de erflaatster] ( [de erflaatster] ),
laatst wonende te [woonplaats2] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink,
tegen:

1.[geïntimeerde1] ,

wonende te [woonplaats3] ,
2.
[geïntimeerde2] ,
wonende te [woonplaats4] ,
3.
[geïntimeerde3] ,
wonende te [woonplaats4] ,
4.
[geïntimeerde4] ,
wonende te [woonplaats4] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de neven en de nicht,
advocaat: mr. K. Megens-Van Mierlo,
en
[naam1] ,
wonende te [woonplaats2] ,
op voet van artikel 118 Rv opgeroepen in het principaal en incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: [naam1] ,
advocaat: mr. H.J.M. van Denderen.

1.Het vervolg van de rechtszaak bij het hof

Het hof heeft op 2 augustus 2022 een tussenarrest gewezen en daarin een mondelinge behandeling bepaald. Partijen hebben eenstemmig gevraagd af te zien van een mondelinge behandeling en arrest te wijzen. Dat zal het hof doen.

2.De beoordeling van het hof

Heeft [de erflaatster] haar aandeel verbeurd?
2.1
In deze zaak in hoger beroep gaat het om de vraag of [de erflaatster] haar aandeel heeft verbeurd in drie goederen die (zouden kunnen) behoren tot de nalatenschap van erflater. Dat zijn (a) een schadevergoedingsvordering van € 100.000, (b) een banktegoed van € 385.347 bij de Volksbank Gronau en (c) een geldbedrag van € 57.900. Wist [de erflaatster] dat tot de nalatenschap van erflater de onder (a) – (c) genoemde goederen behoorden en heeft zij jegens de neven en de nicht daarover gezwegen op het moment dat spreken voor haar geboden? Heeft zij deze goederen voor hen verborgen gehouden? Dat zijn de vragen waarover het in het principaal en incidenteel hoger beroep gaat. De neven en de nicht zeggen dat dit zo is en [appellant] betwist dat. Bevestigende beantwoording van die vraag heeft tot gevolg dat [de erflaatster] haar aandeel in die goederen heeft verbeurd, omdat zij deze dan opzettelijk heeft verzwegen of verborgen gehouden (artikel 3:194 lid 2 BW). Het is aan de neven en de nicht de feiten die tot dat rechtsgevolg leiden te stellen en bij betwisting te bewijzen (artikel 150 Rv).
2.2
Voor de beoordeling is van belang wat door en namens [de erflaatster] is gedaan en verklaard en ook wat zij niet heeft gedaan of gezegd. Hieronder volgt eerst een chronologische reconstructie daarvan - deels met herhaling van feiten die al zijn genoemd in het tussenarrest van 20 april 2021 onder 2. Daarna wordt beoordeeld of uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat [de erflaatster] de onder (a) – (c) genoemde goederen opzettelijk heeft verzwegen of verborgen gehouden. Partijen (met uitzondering van [naam1] ) hebben uitdrukkelijk afgezien van verdere bewijslevering omtrent deze kwestie.
a. Erflater had een bankrekening bij de Volksbank Gronau met nummer [nummer1] (hierna ook: de bankrekening). De afschriften van de bankrekening werden aan het adres van erflater toegestuurd; De Volksbank Gronau schrijft op 14 januari 2016 aan de vereffenaars mrs. Zomer en Hudepohl:
“Die Kontoauszüge sind an die Adresse von Herrn [naam2] zugesandt worden.”
b. [de erflaatster] had sedert 22 augustus 2005 een volmacht voor die bankrekening. Niet staat vast dat zij gebruik heeft gemaakt van deze volmacht, behoudens de opname van het gehele toen resterende saldo van € 5.412,42 die zij op 21 november 2013 (na overlijden van erflater) heeft gedaan. Ook staat niet vast dat zij op enig moment inzage heeft gehad in de bankafschriften.
c. Het saldo op die rekening was op 1 januari 2012 € 3.174,53.
d. Erflater heeft op 6 juni 2012 ook aan [naam3] een volmacht voor de bankrekening gegeven. Erflater heeft aan [naam3] ook een algehele volmacht gegeven. Die volmacht is vastgelegd in een onderhandse akte van 25 juni 2012. In die akte staat:
“De volmacht geldt voor alle handelingen op financieel en materieel gebied.
De volmacht gaat in per 25 juni 2012
De volmacht geldt voor onbepaalde tijd.”
Niet is bekend of [de erflaatster] wist dat erflater aan [naam3] deze volmachten heeft gegeven.
e. Op de bankrekening hebben na 1 januari 2012, maar voor het overlijden van erflater twee overboekingen plaatsgehad:
  • een overboeking van € 50.107,50 op 22 juni 2012; en
  • een overboeking van € 432.268,23 op 27 juni 2012.
De Volksbank Gronau schrijft over deze overboekingen op 4 mei 2016 aan de vereffenaars:
2. Der am 22.06.2012 gutgeschriebene Betrag in Höhe von EUR 50.107,50 resultiert aus der Endfälligkeit eines Express-Zertifikates der WGZ BANK (Wertpapierkennnummer WGZ2HW), welches im Kundendepot gehalten wurde.
Die Gutschrift am 27.06.2012 in Höhe von EUR 432.268,23 resultiert aus einer Inlandsschlusszahlung, die bei der DZ Privatbank Schweiz beauftragt worden ist. Als Verwendungszweck wurde für diese Zahlung folgender Text erfasst: Depotauflösung per Saldo aller Ansprüche.
Het is niet bekend wie de opdracht voor deze overboekingen heeft gegeven. Ook is niet bekend wat de herkomst is van deze bedragen.
f. Op 28 juni 2012 is op verzoek van [naam3] en [de erflaatster] een bewind ingesteld over alle goederen van erflater omdat hij als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat was ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen ten volle behoorlijk waar te nemen. Ook is ten behoeve van hem op verzoek van [naam3] en [de erflaatster] een mentorschap ingesteld (beschikking van de kantonrechter in Enschede van 28 juni 2012). [naam3] en [de erflaatster] zijn benoemd tot bewindvoerder en mentor. Het verzoekschrift is op 30 mei 2012 ondertekend door [naam3] en [de erflaatster] . [naam3] en [de erflaatster] hebben op 1 juni 2012 aan de kantonrechter een door hen beiden ondertekende brief gestuurd met de vraag het verzoek met spoed te behandelen, omdat erflater uitbehandeld was en niet meer terug kon naar huis en zij daarom veel zaken in orde moesten maken. Op de mondelinge behandeling bij dit hof op 10 augustus 2021 heeft [appellant] verklaard dat [de erflaatster] volgens hem niet wist dat ze dit verzoek had gedaan en dat ze zeker geen bewindvoerder wilde zijn. [appellant] heeft gezegd:
“Mijn vader (hof: [naam3] ) kwam met een blanco blaadje en zei dat ze moest tekenen. Ze vroeg waarom, hij zei dat dat moest. Ze wist niet dat ze getekend had voor bewindvoering.”Het bewind is geëindigd door het overlijden van erflater op 5 juli 2012 en heeft slechts 8 dagen geduurd. [naam3] en [de erflaatster] hebben als bewindvoerders geen beschrijving gemaakt van de goederen die aan het bewind waren onderworpen en ook niet de voor betalingen in verband met het bewind nodige betaalrekening geopend van artikel 1:436 lid 4 BW; zij hebben evenmin aan het einde van het bewind rekening en verantwoording afgelegd.
g. Op 4 juli 2012 om 11:19 uur (de dag voor het overlijden van erflater) heeft [naam3] een bedrag van € 100.000 in contanten van de bankrekening opgenomen. Dat blijkt uit een door de bank en door [naam3] ondertekend betalings- en ontvangstbewijs met de kop
‘Auszahlung’. Niet staat vast dat [de erflaatster] hierbij aanwezig was. Ook staat niet vast dat [de erflaatster] wist van deze opname. De neven en de nicht gaan ervan uit dat [de erflaatster] wel aanwezig was bij de geldopname. [appellant] weerspreekt dat; de neven en de nicht hebben geen nader bewijs daarvan aangeboden.
h. Het saldo op 5 juli 2012 op de bankrekening was € 385.437.
i. Op 6 juli 2012 om 14:24 uur (de dag na het overlijden van erflater) heeft [naam3] een bedrag van € 380.000 in contanten van de bankrekening opgenomen. Niet staat vast dat [de erflaatster] hierbij aanwezig was. Ook staat niet vast dat [de erflaatster] wist van deze opname. De neven en de nicht gaan ervan uit dat [de erflaatster] ook aanwezig was bij deze geldopname. [appellant] weerspreekt dat; de neven en de nicht hebben geen nader bewijs daarvan aangeboden, althans hebben van verdere bewijslevering afgezien.
j. Na het overlijden van erflater zijn er, zo heeft een van de neven [geïntimeerde4] op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard, slechts heel beperkt contacten geweest tussen de neven en de nicht en [naam3] en [de erflaatster] . [geïntimeerde4] heeft naar zijn zeggen één keer telefonisch contact gehad met [naam3] en [naam1] , kort na het overlijden van erflater, over de verdeling van de nalatenschap. Hij heeft gezegd:
“Toen ik navraag deed werd [naam3] boos, toen nam [naam1] het gesprek over. Dat is het enige contact dat ik gehad heb. Ik ben er verder niet op in gegaan. Ik heb geprobeerd te achterhalen wat er was en is, want daar waren wij er niet goed van op de hoogte.”
Over het contact met [de erflaatster] heeft hij verklaard:
“In de tussentijd heb ik nog even contact gehad met [de erflaatster] , maar pas op het moment dat zij gebrouilleerd raakte met [naam1] . Dat was ergens in 2014 of 2015. Ze woonden in hetzelfde appartementencomplex. [de erflaatster] wilde wat dingen weten van [naam1] , toen liep dat niet meer. Toen belde [de erflaatster] . Buiten dat hebben we nooit veel contact gehad, behalve vroeger bij familiebezoeken.”
k. Er zijn in 2012 en 2013 wel contacten geweest tussen [naam3] en [de erflaatster] enerzijds en de neven en de nicht door tussenkomst van een notaris en een advocaat.
l. Na het overlijden van erflater hebben [naam3] en [de erflaatster] contact opgenomen met notaris L. Hamer in Enschede en geven haar de opdracht een verklaring van erfrecht op te stellen. Notaris Hamer heeft op 17 september 2012 een uitgebreide brief aan de neven en de nicht gestuurd. Zij schrijft dat [naam3] de nalatenschap van erflater zou willen afwikkelen namens de erfgenamen en daarvoor graag een volmacht van hen zou krijgen. Namens [naam3] en [de erflaatster] (de broer en zus van erflater) heeft notaris Hamer de neven en de nicht
het volgende laten weten:
“(…)
Uw oom en tante hebben mij te kennen gegeven dat de nalatenschap een positief saldo kent. Tot de nalatenschap behoort volgens uw oom het huis aan de [adres] te [woonplaats2] en een banksaldo van ongeveer €50.000,= tot €60.000,=.
(…)
Daarnaast adviseer ik u contact op te nemen met uw oom omtrent de reeds tijdens het leven van uw overleden oom ingezette verkoop van de [adres] .
Uw oom investeert thans fors uit eigen middelen in dit huis teneinde het voor verhuur geschikt te maken en voor latere verkoop. Hierover moeten denk ik tussen u en uw oom goede afspraken worden gemaakt, waarbij toedeling van het huis aan uw oom ook zeker een optie is.
(…)
Het is goed om u te realiseren dat de waarde van de nalatenschap vooral vastzit in de woning. Nu deze voor langere tijd wordt verhuurd kan de woning niet op korte termijn worden "verzilverd".
Dit zou een probleem kunnen geven met de af te dragen erfbelasting (u valt in de 2e tariefgroep, dit houdt in dat u een vrijstelling hebt van € 2.012,00, dat u over de eerste
€ 118.708,00 30% belasting moet afdragen en over het meerdere 40%).
Er zijn gelukkig wel uitstelmogelijkheden bij de belastingdienst (deze zijn wel rentedragend). (…)
Tot slot heeft uw oom, de heer [naam4] te kennen gegeven de nalatenschap van uw oom namens u te willen afwikkelen. Derhalve heb ik in de verklaring van zuivere aanvaarding een volmacht opgenomen, waarmee u de heer [naam4] volmacht geeft de nalatenschap van uw oom, mede namens u, af te wikkelen.”
m. [naam3] en [de erflaatster] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [de erflaatster] heeft op 2 november 2012 aan [naam3] een volmacht gegeven de nalatenschap namens haar af te wikkelen.
n. Op 9 januari 2013 heeft notaris Hamer aan de erven [de erflaatster] , onder wie ook [de erflaatster] , een brief gestuurd. Notaris Hamer heeft daarin geschreven dat zij opnieuw contact heeft gehad met [naam3] ; zij brengt zijn voorstel tot koop van de woning van erflater aan de [adres] voor € 250.000 in verhuurde staat aan de overige erfgenamen over. In deze brief heeft zij ook vermeld:
“De overige bestanddelen van de nalatenschap zullen afzonderlijk, naar rato van uw erfdelen, worden verdeeld en zijn dus niet in het voorstel van uw oom inbegrepen.”
o. De neven en de nicht hebben [naam3] geen volmacht gegeven. Op 12 februari 2013 hebben zij in een brief aan notaris Hamer laten weten dat zij niet op het voorstel van [naam3] en [de erflaatster] ingaan en dat zij de nalatenschap beneficiair zullen aanvaarden. Zij sluiten hun brief af met de zin:
“We hebben er alle vertrouwen in dat in de komende maanden de precieze omvang van de nalatenschap kan worden vastgesteld.”
Zij hebben de nalatenschap van erflater vervolgens beneficiair aanvaard op 4 maart 2013.
p. Notaris Hamer heeft de neven en de nicht op 12 maart 2013 bericht:
“Voor de goede orde bericht ik u dat uw oom en tante, de heer [naam4] respectievelijk mevrouw [naam5] , de heer Assink van Damsté Advocaten opdracht hebben gegeven om namens hen op korte termijn te reageren inzake de afwikkeling van de nalatenschap van uw oom, de heer [naam2] .”
q. Mr. Assink heeft op 9 april 2013 namens [naam3] en [de erflaatster] (de broer en de zus van erflater) een brief gestuurd aan de neven en de nicht en heeft namens hen een voorstel tot afwikkeling gedaan, dat voornamelijk de woning aan de [adres] in [woonplaats2] betreft. Hij heeft geschreven:
“(…)
Op 5 juli 2012 is (…) (uw oom) overleden. Tot de nalatenschap behoort zijn woning (…) te [woonplaats2] . Voorts waren er nog spaargelden tot een bedrag van € 84.653,00 en overige bezittingen voor een bedrag van € 1.615,00. De kosten van de uitvaart bedroegen
€ 6.145,00. (…).
Een verdeling op de door cliënt voorgestelde wijze leidt ertoe dat er afgerond € 80.000,00 aan liquide middelen verdeeld dient te worden en een woning met een waarde van
€ 250.000,00. In totaal is er dan € 330.000,00 beschikbaar voor alle erfgenamen.”
De neven en de nicht zijn niet op dit voorstel ingegaan.
r. [de erflaatster] heeft op 21 november 2013 bij de Volksbank Gronau het gehele toen nog resterende saldo op de bankrekening van € 5.412,42 in contanten opgenomen. In de dagvaarding in de procedure bij de rechtbank heeft [de erflaatster] met de hand bij nr. 10 bijgeschreven:
”heb dit aan [naam3] en [naam1] gegeven om in hun kluis te doen”.
s. Op 28 december 2013 is [naam3] overleden met achterlating van zijn echtgenote [naam1] als zijn enig erfgename.
t. Op 28 augustus 2015 heeft de rechtbank Overijssel op verzoek van de neven en de nicht op voet van artikel 4:203 lid 1 onder a BW mr. J.A. Zomer en mr. C.T.M. Hudepohl tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater benoemd. In de beschikking staat vermeld:
“De afwikkeling van de nalatenschap is in een impasse geraakt.”
u. Op 3 september 2015 bericht mr. Hudepohl in een brief aan [de erflaatster] dat zij en mr. Zomer tot vereffenaars zijn benoemd in de nalatenschap van erflater. Zij vervolgt dan:
“In verband hiermee ontvang ik graag van u de in uw bezit zijnde administratie van het
vermogen van uw broer. Ik verzoek u vriendelijk contact met mij op te nemen voor het
maken van een afspraak daarvoor.”
v. [appellant] stuurt hen namens [de erflaatster] op 11 oktober 2015 een mail en schrijft:
“Mevrouw [de erflaatster] geeft aan niet in het bezit te zijn van enige administratieve bescheiden van haar broer, de heer [naam2] . Daarnaast geeft mevrouw [de erflaatster] (tante [de erflaatster] ) aan dat:
Zij niet de opsteller is van de brief aan de heer mr. Assink d.d. 12 maart 2013 betreffende de nalatenschap [naam2] en zij zich niet herkent in de inhoud van deze brief;
Zij niet instemt met de verkoop van het pand aan de [adres] te [woonplaats2] , eigendom van haar overleden broer, zoals gevraagd door Hordijk & Hamer Notarissen in het schrijven van 18 juni 2015;
Zij de door haar betaalde kosten (€ 454,85) voor de aanslag WOZ 2014 graag wil inbrengen ter vereffening (Aanslag [nummer2] d.d. 28-02-2014);
Zij niet op de hoogte was dat zij per beschikking van de rechtbank Almelo (zaaknummers 409044 en 409046) d.d. 28 juni 2012 is benoemd tot bewindvoerder en mentor van de heer [naam2] ;
Dat na het overlijden van de heer [naam2] meerdere malen waardepapieren van de heer [naam2] zijn verzilverd en de sommen contant geld zijn opgenomen bij de Volksbank in Gronau (medewerkster mevrouw [naam6] ). De verzilverde bedragen zijn steeds bewaring genomen door haar broer de heer [naam4] en mevrouw [naam7] .”
w. In december 2015 maken de vereffenaars een boedelbeschrijving waarin vijf bankrekeningen van erflater bij de ABN AMRO Bank met een saldo op de dag van overlijden van in totaal (afgerond) € 88.737. Verder staat in die boedelbeschrijving:
Tegoeden bij de Volksbank te Gronau (Duitsland)
In verband met signalen van/namens erfgenamen wordt nog onderzoek gedaan naar de
eventuele aanwezigheid van vermogen aangehouden bij de Volksbank te Gronau
(Duitsland).”
x. Op 2 januari 2016 vraagt [de erflaatster] in een brief om een gesprek met de vereffenaars. Zij schrijft onder meer:
“Naar mijn mening zijn in het jaar voorafgaand aan het overlijden van mijn broer [naam2] , alsmede in de periode na zijn overlijden handelingen verricht, geïnitieerd door mijn broer [naam3] en zijn vrouw [naam1] , die een vlotte en onpartijdige verdeling van de nalatenschap tot op heden in de weg hebben gestaan.”
y. Op 5 januari 2016 vragen de vereffenaars in een brief aan de Volksbank Gronau om informatie. Zij schrijven:
“Vermutlich hatte Herr [naam2] eine oder mehrere Bankkonten bzw. Anlageprodukte bei Ihrer Bank. Es erreichten uns Signale, dass nach dem Verscheiden Gelder abgehoben sein sollen. Sollte sich herausstellen, dass dies der Fall ist, so höre ich gerne von Ihnen, wer diese Gelder abgehoben bzw. erhalten hat.“
De Volksbank Gronau geeft aan de vereffenaars inzage in de bankrekening en verschaft alle hiervoor gemelde gegevens over deze rekening. In een brief van 14 januari 2016 vermeldt de Volksbank het saldo op de rekening op de sterfdatum en de opnames daarna. In een brief van 12 februari 2016 informeert de Volksbank de vereffenaars over het verloop van de bankrekening vanaf 1 januari 2012 en over de volmachten van [naam3] en [de erflaatster] .
z. Op verzoek van [de erflaatster] en door tussenkomst van de vereffenaars heeft zij op 19 januari 2016 thuis in [woonplaats2] gesproken met notaris mr. M. Lenderink in het bijzijn van de vereffenaars en een beëdigde verklaring afgelegd. De notaris heeft van dat gesprek en die verklaring een geluidsopname gemaakt en daarvan proces-verbaal opgemaakt op 27 januari 2016 wederom bij [de erflaatster] thuis in [woonplaats2] in het bijzijn van de vereffenaars.
[de erflaatster] heeft onder meer het volgende verklaard:
“Drie en een halfjaar geleden is mijn broer [naam2] overleden. Hij liet na een bankrekening
of bankrekeningen, hij liet ook een huis na. En we zijn met z’n drieën om de boel te moeten verdelen. Dat zijn vier van mijn overleden andere broer, die jaren geleden al is overleden. Hij had vier kinderen en die vierkinderen krijgen dus een/derde deel van alles en het tweede is zijn vrouw die hier beneden woont ook een/derde, en mijn persoontje ook een/derde. Met z’n drieën. (…) [naam3] heeft toen met zijn vrouw alles zo’n beetje geregeld en ons er buitengelaten en dat is natuurlijk niet prettig maar omdat ik zelf ook niet goed in orde was dacht ik “laat maar lopen, laat maar lopen”. En toen werd hij ook ziek en toen deed zij alles alleen. Ik vroeg haar wel eens “Hoe zit dat nou eigenlijk?” want we krijgen allemaal een/derde deel en nou moet je mij meedelen, en de anderen ook, hoe het in elkaar zit en niet alleen beslissen maar dat deed ze toch. Ze haalde soms hele domme dingen uit, gaf ontzettend veel geld uit allemaal en het was toch nog niet van haar. En zodoende is het gekomen dat wij helemaal geen contact meer hebben met elkaar. En nou zitten we hier bij elkaar om weer van voren af aan te beginnen eigenlijk. Met de neven en nichten is niks mee, hoor, maar die wonen in Brabant, dus dat is natuurlijk moeilijk. (…)
Het was ook zo dat hij rekeningen had in Duitsland. Dat was bij twee spaarbanken. De ene was bij de Volksbank en de andere weet ik niet, maar die was naast of tegenover, of in ieder geval dichtbij de Volksbank, in Gronau.(…)
En toen [naam2] was overleden is [naam3] met ons, met zijn drieën naar Duitsland gegaan, om dat geld eraf te halen, want dat moest in de pot komen voor de verdeling. Dat is gebeurd tot het bij die bank, waar ik de naam niet van weet, op was. [naam3] had een kluis, en dat deed hij in de kluis, in contanten. Ik vond dat allemaal goed. Toen stond er op de Volksbank nog een bedrag. Daar zijn we ook verschillende keren geweest, om daar het geld af te halen, dat was op verschillende data dat het afgelopen was, je kon het verlengen of je kon het afhalen, en we gingen het dus afhalen. Dat is vijf, zes keer geweest toch wel, en dat waren grote bedragen, en waar zijn ze gebleven? De kluis stond bij hen in huis, in [plaats1] , bij [naam3] . Die opnames waren na het overlijden van [naam2] . [naam2] heeft daar nog voor getekend dat wij het af mochten halen dat geld, [naam3] en ik. Daar heb ik een kopie van. De bankrekeningen in Duitsland stonden op naam van [naam2] , die waren van hem. (…)
En wat er verder mee gebeurd is heb ik niets van gehoord. Kort daarna is [naam3] overleden in december. En toen heeft zij heel veel geld uitgegeven, verbouwd hier beneden, muur er uit laten halen, ze heeft bakken met geld uitgegeven en ze had van zichzelf niks. Alle geld is bij de beide banken opgehaald, omdat ze toestemming hadden van [naam2] en het toch verdeeld moest worden. En waar is dat geld nu? Of ze het heeft het opgemaakt of het is.... Ik weet in ieder geval niet wat er mee is gebeurd, want ze licht ons helemaal niet in.(…)
Ik weet niet om welke bedragen het gaat, maar het liep in de duizenden iedere keer, grote opnames. [naam2] zag het als een spelletje, iedere keer wegzetten en weinig uitgeven.(…)
Na het overlijden van [naam3] zijn er zeker ook opnames gedaan. We zijn daar dan met zijn tweeën geweest, [naam1] en ik. Ook dat geld moet in de kluis zitten, voor zover ik
weet. (…)”
aa. Op 28 januari 2016 heeft [de erflaatster] contact opgenomen met de notaris en gezegd dat zij een aanvullende verklaring wilde afleggen. Een waarnemer van notaris Lenderink heeft een proces-verbaal opgemaakt van haar aanvullende beëdigde verklaring. Zij heeft die verklaring thuis in [woonplaats2] afgelegd op 29 januari 2016 in het bijzijn van een van de vereffenaars, te weten mr. Hudepohl. [de erflaatster] heeft het volgende verklaard:
“Een tijd geleden ben ik met mijn schoonzus [naam1] bij de Volksbank in Gronau geweest. Dat moet ongeveer twee maanden geleden zijn geweest, in november, want in december was ik opgenomen in De Cromhoff. Maar ik weet niet precies wanneer. [naam1] wou dat ik mee ging. Toen we bij de bank waren heb ik haar gevraagd om de sleutels van de kluis, want die stond op mijn naam, maar ik wist niet wat er in lag. Ik had haar ook al eerder gevraagd mij de sleutels te geven, maar dat deed ze toen niet. Toen we bij de bank waren deed ze dat wel, toen de mevrouw van de bank even was weggelopen. Ze gaf mij twee sleutels aan een ring en toen zijn we naar beneden gegaan. Eén sleutel bleek niet van mijn kluis te zijn; waar die van is weet ik niet. In de kluis lagen twee enveloppen met pakjes bankbiljetten. Die heb ik er uit gehaald. Ik wou de kluis opzeggen maar dat ging niet door omdat ze twee sleutels moesten hebben. Het geld heb ik meegenomen en ligt nu bij mij thuis opgeborgen. Ik weet niet hoeveel het is, ik geloof dat het biljetten van vijfhonderd euro zijn. Ik vermoed dat het van mijn broer [naam2] was. Van mij was het in ieder geval niet; ik heb niets.
De comparante sub 1 verklaarde vervolgens dat het vorenstaande een juiste weergave
is van hetgeen zij gisteren telefonisch aan de comparante sub 2 heeft verteld.
Thans verklaarde de comparante sub 1 nog het volgende:
Het is natuurlijk vreemd dat de kluis op mijn naam stond en dat zij de sleutels had. Ik had haar al eerder om de sleutels gevraagd. Er lag verder niets in de kluis. Ik heb hem leeg gehaald, want ik wilde de kluis opzeggen. Ik denk dat mijn schoonzus dat geld erin heeft gelegd, dat weet ik eigenlijk wel zeker want zij had de sleutels. Ik heb niet méér geld in huis dat behoort tot de nalatenschap van mijn broer [naam2] . Ik denk dat mijn schoonzus de andere sleutel van mijn kluis nog heeft, dat is haast wel zeker. Ik denk dat de andere sleutel die ik heb van een kluis op naam van mijn broer [naam3] , of nu van zijn weduwe, [naam1] , is, ik dacht in [plaats2] . Ik heb verder niet meer aan [naam1] gevraagd of zij mijn andere sleutel heeft, want we hebben geen contact meer met elkaar. Het is al een tijd geleden hoor, dat dat geld is opgehaald, eind november denk ik, Ik had het eerder kunnen vertellen maar we hebben het over andere dingen gehad. Ik heb mij wel gerealiseerd dat dat geld van [naam2] gedeeld moet worden met de andere erfgenamen. Ik weet of het geld dat wij deels samen met [naam3] hebben opgehaald bij de Volksbank in Gronau, of [naam1] dat later weer heeft teruggebracht en in de kluis heeft gestopt. Dat moet ze dan alleen gedaan hebben, ik was daar niet bij. Het is maar mijn veronderstelling.”
ab. [de erflaatster] heeft vervolgens in het bijzijn van de waarnemer van de notaris aan mr. Hudepohl een bedrag van € 57.900 overhandigd in coupures van € 500 en € 100.
ac. [de erflaatster] heeft op 17 oktober 2017 nogmaals een gesprek gehad met notaris Lenderink. Dat gesprek heeft plaatsgevonden bij haar thuis in [woonplaats2] , in het bijzijn van haar advocaat mr. Bovenmars, van [appellant] en zijn dochter en van mr. Hudepohl en haar advocaat mr. R.H.A. Vennegoor. Tijdens dat gesprek zijn aan [de erflaatster] ook vragen gesteld door mr. Bovenmars, mr. Vennegoor en [appellant] . [appellant] heeft van dat gesprek een geluidsopname gemaakt. De notaris heeft van het gesprek bij [de erflaatster] thuis en de verklaringen van [de erflaatster] proces-verbaal opgemaakt op 24 oktober 2017. [de erflaatster] heeft onder ede onder meer het volgende verklaard:
“Ik, [de erflaatster] , heb het verzoek gedaan om deze verklaring af te leggen. Gezien mijn broze gezondheid en de lange doorlooptijd die de huidige procedure tot heden neemt, ben ik bang dat ik niet meer de kans krijg om die dingen te zeggen die ik wel graag met een ieder wil delen. En die volgens mij van belang zijn voor een eventueel gerechtelijk oordeel. Deze verklaring sluit aan op de begin twee duizend zestien afgegeven verklaring en heeft uitsluitend tot doel om daar waar de eerder afgegeven verklaring vaag is of mijns inziens verkeerd wordt geïnterpreteerd duidelijkheid te verschaffen. Om te voorkomen dat ik zaken vergeet heb ik deze verklaring op schrift laten stellen. Zoals aangegeven ben ik er mij ondertussen bewust van dat de eerdere verklaring onvoldoende smart is dat deze naar mijn mening anders wordt uitgelegd dan dat ik heb bedoeld. Ik hoop met deze verklaring duidelijkheid te geven op die punten. Ik ben niet op de hoogte geweest van de financiële mutaties op de rekeningen van mijn broer [naam2] . Niet voor zijn overlijden als daarna. Ik heb nimmer enige bankbescheiden op naam van [naam2] ontvangen. Naar ik nu weet zijn deze bescheiden ook nooit op adres gesteld of naar mijn persoon gestuurd. Het feit dat ik reeds vele jaren geleden een machtiging heb gekregen was voor het geval hem iets zou overkomen. Ik wist niet eens meer van deze machtiging en heb nimmer gebruik gemaakt van deze machtiging. Ik ben mij niet bewust van het feit dat er wellicht rekeningen door of namens mij zijn geopend ten einde gelden van mijn broer [naam2] te stallen. Ik heb nimmer enige bankbescheiden ontvangen van rekeningen van mijn broer [naam2] . Ik had ook geen zicht op de hoogte van de bankrekeningen. Alle bankbescheiden werden door mijn broer [naam3] beheerd. Hij deelde deze informatie niet met mij. Ik was zeker niet op de hoogte van het feit dat [naam3] een dag voor het overlijden van [naam2] een opname van eenhonderd duizend euro (€ 100.000,00) heeft verricht van de rekening van [naam2] in Duitsland. Ik ben daar ook zeker niet bij aanwezig geweest. Mijn vriend [naam8] zou dit kunnen getuigen, ware hij nu niet dement, hij zit al vier jaar in het Bruggerbosch. Het eerste moment dat ik kennis nam van deze opname dat was uit de stukken bij de beslaglegging. Ik was ook niet op de hoogte van het feit dat [naam3] een opname heeft verricht van driehonderd vijfentachtig duizend euro (€ 385.000,00) nota bene één of twee dagen na het overlijden van mijn broer [naam2] . Als je je broer net hebt verloren ga je niet aan zijn geld denken. Dat vond ik heel erg stotend toen ik dat hoorde, Ik ben bij deze opname niet aanwezig geweest en heb er ten tijde van opname ook geen kennis van gehad. Het eerste moment dat ik er kennis er van nam, van deze opname, dat was uit de stukken bij de beslaglegging, toen hoorde ik het voor het eerst. In de diverse juridische stukken wordt meermalen vermeld dat ik willens en wetens geld zou hebben onttrokken aan de nalatenschap van [naam2] . Ik kan me er nog kwaad om maken. Ik bestrijd dit ten ene male. Ik verklaar hierbij speciaal aan [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] , maar ook aan de andere betrokkenen dat ik geen geld uit de nalatenschap van [naam2] heb onttrokken en zeker niet willens en wetens. Ik heb op verschillende momenten, ook toen mijn broer [naam3] nog leefde, geprobeerd om direct en indirect in contact te komen met de andere erfgenamen. Maar hier is door andere partijen niet op gereageerd. Pogingen om met elkaar in gesprek te gaan werden afgehouden. Nou móet ik zeggen dat [naam13] heeft gebeld, die heb ik wel een uur gesproken. En toen zou hij mij terug bellen. En dat heeft hij geprobeerd, maar toen was ik ondertussen opgenomen in de Cromhoff. En toen hoorde ik later, een hele tijd later, toen ik daar weer van terug kwam, dat hij mij gebeld had, maar dat hij geen contact kon krijgen, want hij wist niet dat ik daar zat. En ik dacht nou ik hoor maar niks, maar dat is dus per ongeluk gekomen omdat ik daar zat en hij wist dat niet. (…) Tenslotte wil ik nogmaals benadrukken dat ik geen geld heb onttrokken, geen cent en nimmer de intentie heb gehad om dit te doen. Als ik van te voren had geweten wat ik nu weet, had ik zeker in eerste instantie afgezien van de erfenis van [naam2] . Dat was het."
ad. Op vragen van mr. Bovenmars heeft [de erflaatster] nog geantwoord dat zij ervan uitging dat het geld dat in Duitsland werd opgehaald zou worden meegenomen bij het verdelen van de erfenis, dat zij [naam1] nog heeft gevraagd hoe het zat met het verdelen van het geld, maar dat die niet meer reageerde.
ae. [de erflaatster] is op 18 mei 2018 in [woonplaats2] overleden. [appellant] , zoon van [naam3] , is haar enig erfgenaam. Hij heeft haar nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.3
Het hof is van oordeel dat - op grond van al de feiten en omstandigheden die hiervoor onder 3.7 zijn vermeld - niet is komen vast te staan dat [de erflaatster] wist van de opnames door [naam3] op 4 juli 2012 (de € 100.000) en op 6 juli 2012 (de € 380.000) en dat [naam3] die bedragen niet zou betrekken in de verdeling van de nalatenschap tussen de erfgenamen. Daarmee is ook niet komen vast te staan dat zij die opnames en de daardoor ontstane (schadevergoedings)vorderingen van de nalatenschap voor de neven en de nicht heeft verzwegen.
a. Niet is gebleken dat zij bij de opnames door [naam3] op 4 en 6 juli 2012 aanwezig is geweest of dat [naam3] haar daarvan toen of later op de hoogte heeft gesteld. [de erflaatster] was samen met [naam3] tot bewindvoerder van erflater benoemd. Niet staat vast dat zij in die hoedanigheid kennis heeft genomen of gekregen van de opnames door [naam3] . Het bewind heeft slechts acht dagen geduurd. [de erflaatster] noch [naam3] heeft daaraan uitvoering gegeven. [de erflaatster] heeft bovendien verklaard dat zij niet op de hoogte was van haar benoeming tot bewindvoerder, terwijl niet is gebleken dat zij wel op de hoogte was.
b. [de erflaatster] had al sedert 2005 een volmacht voor de bankrekening, maar niet is gebleken dat zij daar ooit gebruik van heeft gemaakt. Die volmacht was naar haar zeggen voor het geval erflater iets zou overkomen. Niet is gebleken dat zij op de hoogte was van het verloop van de bankrekening op enig moment en de stortingen die daarop in 2012 zijn gedaan (de bankafschriften werden naar het adres van erflater gestuurd). Zij heeft dat in haar verklaring van 24 oktober 2017 ten overstaan van de notaris en de vereffenaar nog eens uitdrukkelijk bevestigd.
c. Uit de brieven van notaris mr. Hamer en advocaat mr. Assink is af te leiden dat namens [naam3] en [de erflaatster] aan de neven en de nicht is opgegeven dat het vermogen van erflater bestaat uit een woning en banktegoeden van ongeveer € 50.000 - € 60.000 (brief notaris Hamer) dan wel € 84.653,00 (mr. Assink). Het ligt voor de hand dat deze opgave uit de koker van [naam3] komt, nu hij namens [de erflaatster] was gevolmachtigd om de nalatenschap af te wikkelen. Niet gesteld of gebleken is dat [de erflaatster] hier op enigerlei wijze bij was betrokken. [naam3] wist uiteraard van de opnames die hij zelf had gedaan van de bankrekening van erflater. Door deze opgave te doen verzwijgt hij dat voor de neven en de nicht en ook voor [de erflaatster] . Uit deze opgaven kan niet worden afgeleid dat [de erflaatster] wist van de grote geldopnames door [naam3] . Door deze opgave te doen verzwijgt zij dat ook niet. Het is juist [naam3] die door het doen van deze opgave ook voor [de erflaatster] de door hem gedane opgaves verzwijgt.
d. Wel staat vast dat [de erflaatster] wist dat erflater geld op een bankrekening in Gronau had. Zij heeft zelf verklaard dat zij een vijf of zes keer met [naam3] en [naam1] naar Gronau is gegaan en dat zij grotere bedragen geld hebben opgehaald. [de erflaatster] heeft ook verteld dat het geld telkens bij [naam3] en [naam1] in de kluis (van de bank en ook bij hen thuis) werd opgeborgen. [de erflaatster] wist dus dat tot de nalatenschap van erflater grotere bedragen geld behoorden die nog verdeeld moesten worden door de erfgenamen. [de erflaatster] heeft al kort na het overlijden van erflater aan [naam3] een volmacht gegeven om namens haar de nalatenschap van erflater af te wikkelen. Zij heeft verklaard dat [naam3] en [naam1] alles regelden en haar daarbuiten hielden. Zij is ervan uitgegaan dat [naam3] en later [naam1] de opgehaalde gelden in de verdeling zouden meenemen. [de erflaatster] heeft zelf op 21 november 2013 een bedrag van € 5.412,42 (het toen resterende saldo) van de bankrekening opgenomen. Zij wist dat dit bedrag tot de nalatenschap van erflater behoorde en heeft dat afgegeven aan [naam3] en [naam1] om in hun kluis te bewaren. Er was voor haar pas een concrete aanleiding te vertellen wat zij wist toen de vereffenaars haar om nadere informatie vroegen. Op dat moment heeft [appellant] namens haar aan de vereffenaars geschreven dat er sommen geld zijn opgehaald bij de Volksbank in Gronau en dat die bedragen steeds in bewaring zijn genomen door [naam3] en [naam1] . Het onderzoek van de vereffenaars heeft daarna aan het licht gebracht dat [naam3] op 4 en 6 juli 2012 grote opnames heeft gedaan van de bankrekening, waarover [de erflaatster] heeft verklaard dat zij hierbij niet aanwezig was. Wel wist zij dat er (grote) bedragen geld zijn opgehaald bij de Volksbank Gronau (uit de kluis van [naam3] ) en dat die bedragen door [naam3] en [naam1] in bewaring zijn genomen in hun kluis in hun huis in [plaats1] . [de erflaatster] verklaart ten overstaan van de notaris op 27 juli 2016 dat het geld in de kluis van [naam3] bij de Volksbank Gronau is gestopt. Nergens blijkt hier uit dat [de erflaatster] wist van de grote opnames die door [naam3] op 4 en 6 juli 2012 waren gedaan en dat die bedragen ook niet zijn meegenomen in de beschrijving van de omvang van de nalatenschap van erflater ( [de erflaatster] had hiervoor volmacht gegeven aan [naam3] ). Het hof is van oordeel dat zij dat niet opzettelijk heeft verzwegen, maar daarover juist heeft gesproken op het moment dat spreken geboden was.
e. De slotsom is dan ook dat [de erflaatster] haar aandeel in de schadevergoedingsvordering van de nalatenschap van erflater van € 100.000 (de opname op 4 juli 2012) en het banktegoed bij de Volksbank Gronau van € 385.437 (de opname van € 380.000 op 6 juli 2012) van erflater ten tijde van zijn overlijden niet heeft verbeurd.
2.4
Blijft nog over de vraag of [de erflaatster] haar aandeel in het bedrag van € 57.900 heeft verbeurd. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. [de erflaatster] wist dat dit geld tot de nalatenschap van erflater behoorde. Zij heeft dit geld in november 2015 opgehaald en pas op 29 januari 2016 daarvan melding gedaan aan de vereffenaars en het geld aan hen afgegeven. Dat er enige tijd is verstreken tussen het ophalen en de afgifte kan naar het oordeel van het hof niet de conclusie rechtvaardigen dat [de erflaatster] dit bedrag opzettelijk heeft verzwegen of verborgen gehouden. Kort na het ophalen van het geld is zij enige tijd opgenomen geweest in een verpleeghuis in [woonplaats2] . Als zij weer thuis is schrijft zij op 2 januari 2016 aan de vereffenaars dat zij met hen wil praten. Daaraan wordt dan gevolg gegeven in het gesprek van 19 januari 2016 waarvan de notaris op 27 januari 2016 proces-verbaal heeft opgemaakt. Omdat zij vergeten is het bedrag van € 57.900 te melden neemt zij 28 januari 2016 contact op met de notaris en overhandigt het bedrag de dag erna aan mr. Hudepohl. Het hof leidt uit deze gang van zaken af dat [de erflaatster] niet de intentie had te verzwijgen dat zij dit geldbedrag in huis had of dat zij dat verborgen wilde houden. Dat er enige tijd overheen is gegaan en dat zij in het eerste gesprek met de notaris dit bedrag heeft vergeten is gelet op haar broze gezondheid en haar leeftijd alleszins begrijpelijk.
Slotsom
2.5
De grieven I-V in het principaal hoger beroep slagen in die zin dat [de erflaatster] - anders dan de rechtbank heeft beslist - haar aandeel in het banktegoed bij de Volksbank Gronau van € 385.437 van erflater ten tijde van zijn overlijden niet heeft verbeurd. Ook grief VI slaagt. [de erflaatster] is ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarin voor recht is verklaard dat [de erflaatster] haar aandeel in de genoemde goederen heeft verbeurd en is veroordeeld in de proceskosten. Het hof zal opnieuw recht doen en de vorderingen van de neven en de nicht in eerste aanleg alsnog afwijzen. Het hof zal de proceskosten compenseren tussen hen, nu deze procedure de afwikkeling van de nalatenschap van de broer/oom van partijen betreft.
2.6
De grief in het incidenteel hoger beroep die steunt op de stelling dat [de erflaatster] haar aandeel in het bedrag van € 57.900 heeft verbeurd faalt. In deze procedure is nog wel gesteld dat dit bedrag geen deel uitmaakt van de opnames van € 485.437, maar daaraan is geen vordering verbonden die zich voor toe- of afwijzing leent. De vorderingen die voor het eerst in het incidenteel hoger beroep zijn gedaan moeten worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [de erflaatster] de schadevergoedingsvordering van de nalatenschap van erflater van € 100.000 (dit is de eisvermeerdering) en het bedrag van € 57.900 (de grief in incidenteel hoger beroep) opzettelijk heeft verzwegen of verborgen gehouden. Het hof zal ook in dit incidenteel hoger beroep de proceskosten compenseren vanwege de familierelatie van partijen en de aard van de zaak (afwikkeling nalatenschap van broer/oom).

3.Beslissing

Het hof, recht doende:
in het principaal hoger beroep
3.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 9 januari 2019, voor zover daarin (a) voor recht is verklaard dat [de erflaatster] haar aandeel in het banktegoed van in totaal € 385.437 van erflater bij de Volksbank Gronau ten tijde van zijn overlijden heeft verbeurd en dat dit aandeel slechts aan de neven en de nicht toekomt en (b) [de erflaatster] in de proceskosten van de neven en de nicht is veroordeeld;
doet opnieuw recht;
3.2
wijst de vorderingen van de neven en de nicht ten aanzien van [de erflaatster] alsnog af;
3.3
compenseert de proceskosten in eerste aanleg ten aanzien van [de erflaatster] en in dit principaal hoger beroep;
3.4
bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
in het incidenteel hoger beroep
3.5
wijst alle vorderingen af;
3.6
compenseert de proceskosten in dit incidenteel hoger beroep, zodat ieder de eigen proceskosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.