In deze zaak ging het om een overeenkomst tussen een scholengemeenschap en een bijlesaanbieder voor het verzorgen van een Lenteschool in de meivakantie van 2020. Door de coronamaatregelen moesten scholen sluiten, waardoor de Lenteschool niet fysiek kon plaatsvinden. De bijlesaanbieder stelde dat de overeenkomst niet ontbonden mocht worden omdat zij de Lenteschool digitaal kon organiseren of op een later moment kon uitvoeren.
Het hof oordeelde dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet hadden voorzien dat de Lenteschool digitaal zou plaatsvinden en dat de afgesproken periode in de meivakantie essentieel was. Het schoolbestuur mocht de overeenkomst ontbinden omdat digitale bijles niet voldeed aan de onderwijsbehoefte van de doelgroep en omdat financiële risico's speelden.
De redelijkheid en billijkheid verplichtten het schoolbestuur niet om in te stemmen met de alternatieven van de bijlesaanbieder. Het hoger beroep werd afgewezen en de bijlesaanbieder werd veroordeeld in de proceskosten.