In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen verhuurder en huurder van horecabedrijfsruimte over de vraag of verhuurder op grond van algemene voorwaarden een hogere brandverzekeringspremie bij de huurder in rekening mag brengen. De verhuurder stelde deze aanspraak pas na eerdere procedures over de huurprijs, waarop de kantonrechter de vordering afwees wegens rechtsverwerking.
Het hof bevestigt dat rechtsverwerking aan de orde is omdat verhuurder haar aanspraak jarenlang niet heeft gecommuniceerd, waardoor huurder niet op deze kostenpost hoefde te anticiperen. Daarom kan de verhuurder geen betaling met terugwerkende kracht vorderen voor de periode vóór 7 juli 2020. Voor het deel vanaf die datum is de vordering wel mogelijk omdat huurder sindsdien op de hoogte is gesteld.
Het hof wijst er op dat de verhuurder haar vordering nog nader moet onderbouwen, met name door polisstukken te overleggen waaruit blijkt welke verzekeringen zijn afgesloten en welke premies daadwerkelijk brandverzekeringspremies betreffen. Ook wordt de mogelijkheid van een minnelijke regeling tussen partijen aanbevolen.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor nadere stukken en reactie van de wederpartij, waarbij verdere beslissing wordt aangehouden.