Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
2 de vennootschap onder firma [geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
[geïntimeerde3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze zaak betreft de beëindiging en afwikkeling van een zakelijke samenwerking tussen [appellante] en [geïntimeerde1] over een diervoederwinkel. Partijen waren overeengekomen dat [appellante] een winkel zou exploiteren vanuit een schuur op haar erf, met voorraad en inrichting verzorgd door [geïntimeerde1]. Na opening ontstonden twijfels over de omzet en werd de samenwerking in december 2017/januari 2018 beëindigd.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of [appellante] de voorraad en inventaris van [geïntimeerde1] heeft overgenomen en welke waarde daaraan moet worden toegekend. Het hof oordeelt dat door de communicatie en gedragingen van partijen een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de voorraad, die [appellante] heeft overgenomen en voortgezet voor eigen rekening. De omvang van de voorraad is voldoende onderbouwd door [geïntimeerde1] en niet effectief betwist.
Wat betreft de waarde van de voorraad stelt het hof vast dat de inkoopwaarde van € 29.012,00 redelijk is, terwijl de door [appellante] gestelde lagere waarde onvoldoende is onderbouwd. De vordering van [geïntimeerde1] tot betaling van € 26.826,36 wordt daarom bevestigd. De door [appellante] ingestelde vordering tot huurbetaling wordt afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt [appellante] tot betaling van € 26.826,36 en proceskosten van € 4.955,00.