De zaak betreft het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) van een terbeschikkinggestelde met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en alcoholstoornis. De rechtbank had de verlenging afgewezen, maar het hof komt tot een ander oordeel en vernietigt deze beslissing.
Uit de risicotaxaties van de kliniek en externe deskundigen blijkt dat het risico op herhaling van geweldsdelicten, hoewel verschillend ingeschat, nog aanwezig is bij een directe beëindiging van de TBS. Het hof acht het delictgevaar dusdanig dat verlenging met één jaar noodzakelijk is ter bescherming van de algemene veiligheid.
Tegelijkertijd is het recidivegevaar volgens het hof voldoende gereduceerd om de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen. De terbeschikkinggestelde mag onder voorwaarden, zoals abstinentie van middelengebruik en toezicht door de reclassering, bij zijn grootmoeder gaan wonen en deelnemen aan een zinvolle dagbesteding. De reclassering krijgt de opdracht hem hierbij te ondersteunen en toezicht te houden.
De reclassering stond aanvankelijk negatief tegenover een voorwaardelijke beëindiging, maar het hof ziet geen noodzaak voor een aanvullend maatregelenrapport. Het hof benadrukt het belang van een juiste balans in toezicht om mislukking te voorkomen. Bij naleving van de voorwaarden kan later worden beoordeeld of de TBS onvoorwaardelijk kan worden beëindigd.