De zaak betreft het hoger beroep van de veroordeelde tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag tot voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). De maatregel was opgelegd voor twee jaar en de veroordeelde heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
Het hof heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het beleid en de toepassing van de beëindigingsbevoegdheid van de minister voor Rechtsbescherming, waarbij is vastgesteld dat deze bevoegdheid regelmatig wordt ingezet om ISD-maatregelen van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te beëindigen in combinatie met uitzetting naar het land van herkomst. Het beleid is echter niet schriftelijk vastgelegd, waardoor de toetsing en criteria onvoldoende transparant en voorspelbaar zijn.
De veroordeelde is inmiddels uitgezet naar Polen en de minister heeft besloten de maatregel te beëindigen zodra de uitzetting feitelijk plaatsvindt. Het hof oordeelt dat de veroordeelde wel degelijk belang heeft bij het beroep en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het hof beëindigt de maatregel met ingang van 1 juni 2022, waarbij het risico op onveiligheid, overlast en verloedering niet aannemelijk is. De beslissing staat eerdere uitzetting niet in de weg.
Het hof benadrukt de noodzaak van duidelijke en schriftelijke beleidsregels voor het gebruik van de ministeriële beëindigingsbevoegdheid en wijst op het belang van gelijke behandeling van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, die minder mogelijkheden hebben tot re-integratie in Nederland.