Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking teruggaaf omzetbelasting over 2011 inzake de aanschaf van een HRe-ketel. De Inspecteur verleende aanvankelijk een beperkte teruggaaf, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde de teruggaaf hoger vast dan de Inspecteur had gedaan. Hiertegen stelde de Inspecteur hoger beroep in bij het gerechtshof.
Het geschil betreft de wijze van berekening van de aftrek van voorbelasting op de HRe-ketel, waarbij de vraag was of de ketel als één ondeelbare zaak moet worden beschouwd of dat een splitsing mogelijk is tussen het privé en zakelijke gebruik. Het hof oordeelde dat de ketel één ondeelbare onroerende zaak is, waarbij een splitsing technisch en economisch niet mogelijk is.
Het hof stelde dat de aftrek moet worden berekend op basis van het werkelijk gebruik van de ketel, waarbij een output-benadering de meest geschikte methode is. Hierbij wordt aangesloten bij de marktwaarde van de geleverde warmte en elektriciteit. Op basis hiervan stelde het hof de teruggaaf vast op €464. Tevens veroordeelde het hof de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor het hoger beroep.