Belanghebbende voerde werkzaamheden uit als depothouder en bezorger, en kwalificeerde de behaalde voordelen als winst uit onderneming in zijn belastingaangifte 2014. De Inspecteur kwalificeerde deze inkomsten deels als loon uit dienstbetrekking en deels als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij ook de aftrek van diverse kostenposten werd afgewezen.
In hoger beroep bevestigde het Hof de eerdere uitspraak. Het Hof oordeelde dat de activiteiten van belanghebbende niet voldoen aan het ondernemersbegrip zoals bedoeld in artikel 3.4 van de Wet IB 2001, mede gelet op factoren als het ontbreken van ondernemersrisico en het spraakgebruik. Ook het beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel faalde omdat belanghebbende geen vergelijkbare gevallen aannemelijk maakte en geen feiten stelde die een beschermd vertrouwen rechtvaardigen.
Daarnaast wees het Hof de aftrek van kosten voor literatuur, werkkleding, kantine, reis- en representatiekosten af. De kosten voor literatuur en werkkleding voldeden niet aan de criteria voor aftrekbare ondernemingskosten. De kantine-, reis- en representatiekosten konden niet als zakelijke kosten worden aangemerkt, mede door onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bonnetjes. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard.