Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De huurovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde1, gesloten onder de Leegstandwet, is op 5 augustus 2020 geëindigd omdat de vergunning voor verhuur onder de Leegstandwet toen afliep. Appellant stelde dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd was en dat de vergunning onterecht was verleend, maar het hof oordeelde dat de overeenkomst duidelijk een einddatum kende gekoppeld aan de vergunning.
Verder stelde appellant dat hij na afloop van de huurovereenkomst met toestemming van geïntimeerde1 de woning bleef gebruiken, waardoor een nieuwe huurovereenkomst zou zijn ontstaan. Dit werd door het hof verworpen omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij toestemming had en omdat hij op de hoogte was van de opzegging en dagvaarding.
Appellant mocht ook de kosten voor werkzaamheden aan de riolering en een nieuwe vaatwasser niet verrekenen, omdat artikel 7:206 lid 3 BW Pro, dat verrekening toestaat, in de huurovereenkomst was uitgesloten. De kantonrechter had dit oordeel bevestigd en appellant had hiertegen geen bezwaar gemaakt in hoger beroep.
Ten aanzien van de huurbetalingen oordeelde het hof dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij op 30 juli 2019 een betaling had verricht, zodat de vaststelling van een achterstand van €1.782,21 bleef staan. Het hoger beroep faalde en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bevestigde de ontruiming van de woning.
Uitkomst: De huurovereenkomst is geëindigd op 5 augustus 2020 en appellant moet achterstallige huur betalen; het hoger beroep wordt afgewezen.