Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1899 te Hilversum. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2019 vast op €758.000, wat leidde tot een aanslag OZB. Belanghebbende maakte bezwaar en kwam in beroep tegen de bevestiging van deze waarde door de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betwist belanghebbende de hoogte van de WOZ-waarde en stelt dat de heffingsambtenaar in de beroepsfase met een andere waardematrix kwam, waardoor hij gedwongen was beroep in te stellen. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar vrij is om in elke fase de waardebepaling anders te onderbouwen en dat de nieuwe matrix met andere referentieobjecten gerechtvaardigd is.
Het hof concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Daarnaast is geoordeeld dat belanghebbende tijdens de hoorzitting inzage had in de gevraagde gegevens en dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek of onjuiste informatieverstrekking. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.