Belanghebbende, een voormalig ingenieur in informatietechniek, bracht in zijn IB/PVV-aangiften over de jaren 2010 tot en met 2018 scholingsuitgaven en kosten voor studie en onderzoek in aftrek. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen en aanslagen op en verklaarde bezwaren en beroepen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijnen. De Rechtbank Noord-Nederland verklaarde de beroepen over meerdere jaren niet-ontvankelijk en wees andere beroepen ongegrond.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. Het Hof bevestigde dat de beroepen over de jaren 2010, 2012, 2013, 2014 en 2016 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard vanwege termijnoverschrijding. Voor het jaar 2017 werd het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; het Hof verklaarde dit beroep ongegrond omdat belanghebbende geen aftrekbedrag had opgevoerd.
Inhoudelijk oordeelde het Hof dat scholingsuitgaven alleen aftrekbaar zijn indien sprake is van een opleiding onder toezicht of begeleiding van een derde, wat hier niet is aangetoond. Het beroep over de aftrek van scholingsuitgaven faalde daarom. Voor 2018 was er geen aftrekpost, en het beroep op een negatief resultaat uit overige werkzaamheden werd eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van een objectieve winstverwachting.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het Hof zag geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak bevestigt eerdere uitspraken van Rechtbank en Hof en sluit de fiscale procedures af.