ECLI:NL:GHARL:2022:6566

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2022
Publicatiedatum
28 juli 2022
Zaaknummer
Wahv 200.305.375/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 23 lid 1 sub c RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid boa bij opleggen sanctie op basis van live cameratoezicht niet digitaal handhaven

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor stilstaan op een oversteekplaats, vastgesteld via live camerabeelden door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in het domein openbare ruimte. De betrokkene stelde dat de boa niet bevoegd was omdat het hier digitaal handhaven betrof, waarvoor volgens de Regeling domeinlijsten boa slechts beperkte overtredingen digitaal mogen worden gehandhaafd.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de betrokkene dat de sanctie onrechtmatig was opgelegd omdat het via cameratoezicht was vastgesteld, wat volgens hem onder digitaal handhaven viel. Het hof oordeelde echter dat digitaal handhaven alleen ziet op automatische voorselectie en latere beoordeling van beelden, terwijl hier sprake was van live waarneming en directe vaststelling door de boa.

Het hof concludeerde dat de boa bevoegd was de sanctie op te leggen voor de overtreding van artikel 23, eerste lid, sub c RVV 1990. Tevens stelde het hof vast dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, zodat het opleggen van een sanctie aan de kentekenhouder volstond. Het motiveringsgebrek van de kantonrechter inzake staandehouding deed niet af aan de juistheid van de beslissing. Het hof bevestigde daarom het vonnis van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing dat de boa bevoegd was de sanctie op te leggen en wijst het beroep van de betrokkene af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.305.375/01
CJIB-nummer
: 227408500
Uitspraak d.d.
: 28 juli 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 juli 2022. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen O. Aҫar. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “stilstaan op een oversteekplaats of binnen 5 meter daarvan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juli 2019 om 23.06 uur op de Nieuwe Prinsenkade in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich ter zitting op het standpunt dat de ambtenaar, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) werkzaam in het domein openbare ruimte, niet bevoegd was om een sanctie op te leggen. Daartoe wordt aangevoerd dat de ambtenaar was belast met cameratoezicht, zodat sprake is van digitaal handhaven zoals bedoeld in de Regeling domeinlijsten Boa (hierna de Regeling). De gemachtigde wijst in dit verband naar het arrest van het hof van 18 januari 2022 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:265), waarin is geoordeeld dat handhaven met behulp van een scanauto als digitaal handhaven in de zin van de Regeling moet worden beschouwd. Het gaat in de onderhavige zaak om een soortgelijke situatie. In de Regeling die ten tijde van het opleggen van de sanctie gold, is digitaal handhaven slechts mogelijk voor het negeren van een C-bord of voor de overtreding van artikel 5, 6 of 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In de onderhavige zaak is een sanctie opgelegd voor het overtreden van artikel 23, eerste lid, sub c van het RVV 1990 en kan de inleidende beschikking daarom niet in stand blijven. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat hij in de procedure bij de kantonrechter naar voren heeft gebracht dat in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv niet is staandegehouden, terwijl daartoe wel een reële mogelijkheid bestond. De kantonrechter heeft deze grond onbesproken gelaten, zodat in die zin sprake is van een motiveringsgebrek
3. De advocaat-generaal neemt ter zitting het standpunt in dat in deze zaak geen sprake is van digitale handhaving in de zin van de Regeling. De advocaat-generaal stelt dat de gedraging weliswaar is geconstateerd middels beelden maar dat het, anders dan wanneer er bij de vaststelling van de gedraging bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van een scanauto, live beelden betrof die de ambtenaar direct waarnam. De conclusie is dat de ambtenaar bevoegd was om de sanctie op te leggen.
4. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar Janssens, boa in het domein openbare ruimte. Verder is door de ambtenaar als opmerking vermeld: CAM TZ.
5. In het dossier bevindt zich verder een aanvullend proces-verbaal van 1 oktober 2019 waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“naar aanleiding van het schrijven van de Officier van Justitie te Utrecht, waarin ik werd gevraagd om commentaar te geven op het gestelde verweer van de betrokkene, deel ik u mede dat ik op 12 juli 2019 omstreeks 23.06 uur op de Nieuwe Prinsenkade te Breda, gemeente Breda een aankondiging van beschikking uitgeschreven voor een motorvoertuig zijnde:
Merk: Mitsubishi Colt
Kenteken: [kenteken]
voor feitnummer mR 396d, stilstaan op een oversteekplaats of binnen 5 meter daarvan. Op genoemde datum en tijdstip was ik belast met cameratoezicht op de binnenstad van de gemeente Breda. (…)”
6. In de Bijlage bij voornoemde regeling, in werking getreden op 1 januari 2019, is onder het kopje “Domein I. Openbare ruimte” onder 16, voor zover relevant, opgenomen:
“Digitaal handhaven is slechts mogelijk voor het negeren van een C-bord of voor de overtreding van artikel 5, 6 of 10 RVV die volgt uit het negeren van een G-bord. De toepasselijke kaders voor digitaal handhaven door gemeenten zijn te vinden op www.om.nl/geslotenverklaring”.
7. De vraag die voorligt is of er sprake is van digitaal handhaven in de zin van de Regeling.
8. In het arrest van het hof van 18 januari 2022 waarnaar de gemachtigde verwijst, heeft de Minister van Justitie en Veiligheid onder meer een standpunt ingenomen over de vraag wat moet worden verstaan onder digitaal handhaven in de zin van de Regeling zoals die - gelijk als in onderhavige zaak - luidde ten tijde van de oplegging van de sanctie. In het arrest is dit als volgt verwoord:
“Dit standpunt komt erop neer dat onder digitaal handhaven in de zin van de Regeling - onder meer en voor zover hier van belang - moet worden verstaan het op automatische wijze vaststellen van gedragingen waarbij de voorselectie volledig autonoom plaatsvindt (door een camera of bijvoorbeeld een scanauto) en waarbij een buitengewoon opsporingsambtenaar op een later moment deze foto’s beoordeelt en besluit een zaak wel of niet door te zetten /op te maken, dan wel handhaving waarbij volautomatisch digitaal wordt gehandhaafd zonder nadere beoordeling van een boa”.
9. Het hof komt tot het oordeel dat geen van deze situaties zich hier voor doet. In de onderhavige zaak is geen sprake van een autonome voorselectie waarbij een ambtenaar op een later moment de foto’s beoordeelt, maar nam de ambtenaar op het moment zelf de beelden waar en stelde ook op dat moment zelf de gedraging vast. Dit brengt mee dat geen sprake is van digitaal handhaven in de zin van de Regeling.
10. De Regeling bepaalt verder dat een boa in het domein openbare ruimte bevoegd is om te handhaven op - onder meer - overtreding van de bepalingen uit het RVV 1990 voor zover het stilstaand verkeer betreft. In deze zaak betreft de vermeende gedraging een overtreding van artikel 23, eerste lid, onder c van het RVV 1990. De ambtenaar was binnen de Regeling dan ook bevoegd om voor deze gedraging een sanctie op te leggen. Nu de gedraging verder niet wordt betwist, kan worden vastgesteld dat deze is verricht.
11. Het hof stelt vast dat de kantonrechter aan de aangevoerde grond ten aanzien van de staandehouding voorbij is gegaan, zodat de beslissing in die zin niet deugdelijk is gemotiveerd.
12. Het hof is van oordeel dat nu de gedraging is geconstateerd met behulp van een camerasysteem, zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Aldus mocht worden volstaan met het opleggen van een sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder (vgl. de uitspraak van het hof van 25 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:4781). Nu dit motiveringsgebrek niet afdoet aan de juistheid van de door de kantonrechter gegeven beslissing, zal het hof deze beslissing bevestigen met verbetering van gronden.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.