ECLI:NL:GHARL:2022:8311

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
200.304.964
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 56 RvArt. 237 Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ambtshalve proceskostenveroordeling in hoger beroep letselschadezaak

In deze hoger beroepszaak inzake letselschade heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 augustus 2022 ambtshalve een proceskostenveroordeling uitgesproken ten laste van de verweerder MST. Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. Rittersma, heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om herstel van deze beslissing, stellende dat de proceskostenveroordeling de positie van de benadeelde kan verslechteren.

Het hof heeft dit verzoek zorgvuldig beoordeeld en geoordeeld dat er geen sprake is van een kennelijke fout in de beschikking die eenvoudig hersteld kan worden op grond van artikel 31 Rv Pro. De proceskostenveroordeling is een uitdrukkelijke, ambtshalve genomen beslissing die past binnen de geldende rechtspraak en wettelijke bepalingen.

Het hof heeft toegelicht dat de rechter ambtshalve over proceskosten oordeelt, ook als deze niet uitdrukkelijk zijn gevorderd. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 26 januari 1933. De inhoudelijke onvrede over de beslissing vormt geen grond voor verbetering onder artikel 31 Rv Pro.

De verweerder MST heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot herstel. Desondanks wijst het hof het verzoek af en bevestigt de ambtshalve proceskostenveroordeling. Hiermee wordt de eerdere beschikking van 30 augustus 2022 bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot herstel van de ambtshalve proceskostenveroordeling af en bevestigt de eerdere beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.304.964
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 270231)

beslissing 27 september 2021 op verzoek ex artikel 31 Rv Pro

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: mr. Z.J. Rittersma,
en
1.
[verweerder1],
woonplaats kiezende te [woonplaats2] ,
2.
Stichting Medisch Spectrum Twente,
gevestigd te Enschede,
verweerders in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerders,
hierna gezamenlijk: MST,
advocaat: mr. O.L. Nunes.
1. Het hof heeft in deze zaak op 30 augustus 2022 een beschikking gegeven. [1]
2. Het hof heeft kennis genomen van het verzoek van mr. Rittersma bij e-mail van 7 september 2022 namens [verzoeker] om een kennelijke fout in die beschikking te verbeteren. Er is door [verzoeker] niet verzocht om een proceskostenveroordeling “en dat is welbewust gebeurd”. Van de zijde van [verzoeker] wordt er geen prijs gesteld op de ambtshalve toewijzing van de proceskosten, “omdat het de facto de positie van benadeelde kan verslechteren”, aldus mr. Rittersma.
3. Bij brief van 13 september 2022 heeft mr. Nunes namens MST geschreven geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van het verzoek.
4. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv Pro en licht dat als volgt toe.
5. Het hof heeft een uitdrukkelijke overweging gewijd aan de (ambtshalve) proceskostenveroordeling ten laste van MST in rechtsoverweging 5.2 met verwijzing naar een conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2015:2414, sub 2.11), waarin staat:
Veroordeling in de proceskosten behoeft niet te worden gevorderd. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep oordeelt de rechter ambtshalve over de proceskosten. Als de appelrechter het vonnis waarvan beroep bekrachtigt, neemt hij de in eerste aanleg uitgesproken kostenveroordeling over. Wanneer hij het vonnis echter vernietigt of de in eerste aanleg ingestelde vordering in hoger beroep afwijst bijvoorbeeld bij gebrek aan belang of omdat toewijzing onmogelijk is geworden, zal de appelrechter moeten beslissen over de kosten van de eerste aanleg. Er behoeft daarom niet tegen de in eerste aanleg uitgesproken kostenveroordeling te worden gegriefd.Deze overweging van de A-G is gestoeld op het arrest van HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604 (rov. 3.1):
In deze zaak gaat het om de vraag of de rechter in zaken waarin art. 56 Rv Pro [thans artikel 237 Rv Pro, toev. hof] van toepassing is, verplicht is om de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen, ook indien de wederpartij niet uitdrukkelijk een kostenveroordeling heeft gevorderd. In het arrest van 26 jan. 1933, NJ 1933, p. 797, heeft de HR de eerste zin van art. 56 lid 1 Rv Pro in die zin uitgelegd dat deze bepaling (al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden) door de rechter moet worden toegepast onafhankelijk van desbetreffende vorderingen van pp. Een andere opvatting van deze bepaling ware denkbaar geweest, maar de HR ziet onvoldoende grond om af te wijken van de uitleg die hij in vermeld arrest heeft gekozen.
Ook in verzoekschriftprocedures kan ambtshalve een proceskostenveroordeling worden uitgesproken (zie Hoge Raad 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3694). Het hof heeft dat in deze beschikking gedaan en daaraan een uitdrukkelijke overweging gewijd.
Indien mr. Rittersma had willen bewerkstelligen dat er geen proceskostenveroordeling zou worden uitgesproken, had gevraagd kunnen worden om deze (om hem moverende redenen) achterwege te laten, waarmee het hof dan rekening had kunnen houden bij zijn beslissing.
6. Het hof heeft geen (kennelijke) fout gemaakt, maar kennelijk een beslissing gegeven waarmee mr. Rittersma het niet eens is. Een inhoudelijke beoordeling die (volgens een partij) onjuist is leent zich niet voor verbetering op grond van dit artikel, ongeacht of de wederpartij daarmee instemt. Daarvoor is artikel 31 Rv Pro niet geschreven. Het hof wijst het verzoek daarom af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, M. Beekhoven van den Boezem en C.M.E. Lagarde en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 september 2022.