De vader is in hoger beroep gekomen tegen diverse beslissingen van de kinderrechter met betrekking tot zijn minderjarige dochter, waaronder de ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing, zorg- en contactregeling, toestemming voor medische behandeling en een vakantie naar het buitenland.
Het hof verwijst naar eerdere kinderrechterlijke beschikkingen en beoordeelt de ontvankelijkheid van de vader en de inhoudelijke gronden van zijn grieven. De medische behandeling van de minderjarige valt onder het begrip medische behandeling zoals bedoeld in de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst, en de kinderrechter heeft terecht geoordeeld dat de toestemming van de vader niet vereist was. Ook de beslissing over de vakantie naar Parijs wordt bekrachtigd, omdat deze de omgangsregeling niet raakt.
Het hof stelt vast dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn in het belang van de minderjarige en dat de vader niet in staat is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De zorg- en contactregeling wordt niet gewijzigd omdat dit niet in het belang van de minderjarige is. De overige grieven van de vader zijn niet voldoende gespecificeerd of relevant, en zijn verzoeken tot proceskostenveroordeling worden afgewezen.
De bestreden beschikkingen van 3 maart en 21 april 2022 worden bekrachtigd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.