In deze civiele procedure staat een geschil centraal over de terugbetaling van een contant gestorte borgsom van €500.000 die in 2015 door appellant2 is betaald voor de vrijlating van geïntimeerde2. GIS c.s. vordert betaling van dit bedrag, stellende dat appellant2 in opdracht van GIS handelde. Appellanten betwisten dit en voeren aan dat het bedrag afkomstig is uit een geldleningsovereenkomst van €700.000 tussen appellante1 Adviesgroep en GIS Holding.
Het hof oordeelt dat GIS c.s. onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen over de herkomst van de borgsom en de vermeende overeenkomst van opdracht. De verklaringen waarop GIS c.s. zich beroept zijn niet toereikend en het late aanbod tot overlegging van administratie wordt afgewezen. Hierdoor wordt de vordering van GIS c.s. afgewezen en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Daarnaast vorderen appellanten de opheffing van de schorsing van de executie van een perceel van GIS en betaling van €70.000. Het hof oordeelt dat appellanten deze vorderingen onvoldoende hebben onderbouwd en bewijsmateriaal hebben geleverd, waardoor deze vorderingen worden afgewezen. Ook een vordering tot vergoeding van veilingkosten wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
Het hof veroordeelt GIS c.s. tot betaling van de proceskosten van beide instanties aan de zijde van appellanten en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing bevestigt dat GIS c.s. grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.