In deze civiele zaak stond een burengeschil centraal over het recht van overpad over perceel 839 en de kosten voor het aanpassen van de inrit van appellanten. Tevens was de vraag aan de orde of het overpad op perceel 835 verbreed moest worden en obstakels verwijderd moesten worden.
Het hof bevestigde dat het overpad moet lopen zoals in 2014 overeengekomen in een schriftelijke overeenkomst, waarbij appellanten gebonden zijn aan deze afspraak. De vorderingen van appellanten tot vergoeding van kosten voor aanpassing van de inrit en tot verbreding van het overpad werden afgewezen, mede vanwege verjaring en het feit dat de overeenkomst van 2014 de situatie regelt.
Ook de vordering van geïntimeerden tot oplegging van een dwangsom om het pad te houden zoals het is, werd afgewezen omdat dit een te absolute verplichting zou zijn zonder ruimte voor uitzonderingen. Het hof oordeelde dat onvoldoende is onderbouwd dat obstakels zoals een eendenkooi het gebruik van het pad belemmeren.
De proceskosten werden verdeeld tussen partijen en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitspraak bevestigt de rechtszekerheid van de erfdienstbaarheden zoals vastgelegd in de overeenkomst van 2014 en wijst nieuwe aanspraken af.